Dr. A.J. Plaisier over kerkelijke cijfers
Dr. A.J. Plaisier over kerkelijke cijfersIn zijn kroniek in het blad Kerkinformatie (okt.'09) zegt dr. Arjan Plaisier, scriba van de Protestantse Kerk hoe we kunnen aankijken tegen de cijfers van de kerk. Het getal van lidmaten, doopleden en 'blijkgevers' (ander woord voor geboorteleden en overige leden vertoont krimp. Zitten we nu te staren als lamme konijntjes op de plank? Plaisier zet de gevoelens om en pleit voor een vruchtbare geloofshouding. Denk eens aan Elia en de zevenduizend waardoor hij werd bemoedigd! Een belangrijke bijdrage van de secretaris- generaal en feitelijk leider van de kerk:
Getal
Er was enige verwarring over: hoeveel leden telt de Protestantse Kerk nu eigenlijk? Na enige hapering kwamen de juiste cijfers boven water. Per 1 januari 2009 telt onze kerk 874.417 belijdende leden en 952.841 doopleden. Bij elkaar zijn dat 1.827.258 leden. Daar komen dan nog ‘overige leden’ bij: 321.878 in getal. Hier gaat het om ‘voormalige’ geboorteleden van de toenmalige Nederlands Hervormde kerk, om gastleden en om ‘blijkgevers’ (dat zijn mensen die blijk geven van verbondenheid met de kerk). Om eigenlijke leden gaat dit dus niet, al kunnen er ‘blijkgevers’ zijn, die actiever zijn dan bijvoorbeeld doopleden. Tel je ze bij de leden in eigenlijke zin op, dan kom je op 2.149.136. Kortom, gaat het om leden volgens de kerkorde, dan zitten we als Protestantse Kerk met ons ledental onder de 2 miljoen leden.
Trend
Het
is al breed bekend dat we daarmee een doorgaande dalende trend zien. In
1990 bedroeg het totaal aantal leden van de drie Samen op Weg-kerken
nog 3, 6 miljoen. Er zijn ijverige rekenaars die de lijn naar voren
hebben getrokken. Voor het jaar 2020 komen ze dan uit bij ruim 1
miljoen leden. Niemand kan vrolijk worden van deze cijfers. Als
grootste protestantse kerk zijn we al decennia lang in zwaar weer. Je
kan daarbij niet zeggen dat er al die tijd alleen maar met de armen
over elkaar naar gekeken is of dat men Gods water maar wat over Gods
akker heeft laten lopen. Bovendien, deze neergang tref je niet alleen
in ons land aan, maar ook in grotere kerken in de andere West-Europese
landen.
Ik kan me voorstellen dat hier voor velen een deprimerende
werking van uitgaat. Wanneer je bijvoorbeeld als predikant je uiterste
best doet, en toch met lede ogen ziet hoe je gemeente verder
afbrokkelt, kan dat aan je gaan vreten. Anderen menen vol enthousiasme
te weten wat er aan gedaan moet worden om het tij te keren, maar vaak
bijten ook zij hun tanden stuk op de weerbarstigheid van de
werkelijkheid.
Kerk van Christus
Ik wil geen oplossing bieden. Wel geef ik een paar overwegingen:
In
de eerste plaats is een kleinere kerk ook kerk van Christus. Het gaat
er niet om je blind te staren op cijfers. Het gaat er vooral om
volgeling van Jezus te zijn. We kunnen alleen leven zolang we zelf
‘leren leven van de verwondering’. Ook als er maar twee of drie
samenkomen in de naam van de Heer, zal Hij er zijn. We worden
opgeroepen onze vreugde te
vinden in de levende Heer. Waar de
vreugde om Christus en zijn liefde verdwijnt, gaat het licht uit. Waar
die vreugde wordt gevonden, zal er kerk zijn en, zo geloof ik: kerk met
uitstraling.
Groei en verschuiving
In de tweede plaats: we mogen ons verblijden om de groei van de kerk op andere plaatsen. Onder migranten in ons eigen land. God roept niet de edelen, de wijzen en de rijken, maar de marginalen. We zien het met eigen ogen. Maar ook de groei van de kerk in bijvoorbeeld China. Wie had kunnen verwachten dat daar miljoenen christenen elke zondag bij elkaar komen in de lofprijzing van God?
Wij beheersen de weg van
God niet. Hij plant en rukt uit, Hij bouwt en breekt af, en wij
aanbidden zijn weg en werk, ook als er onder ons nu kennelijk wordt
uitgerukt en afgebroken. Dat laatste hoeven we niet passief te
ondergaan. Het kan bedoeld zijn als een tijd van loutering. God roept
ons terug naar onze eerste liefde, naar het geheim van onze identiteit
in Christus. Loutering en terugkeer wil ook zeggen: weer leren wat het
is om missionaire kerk te zijn. Het vergt een omslag. We zijn kerk
geweest die leefde van een erfenis. De leden groeiden ons bij geboorte
vanzelf wel aan. Dat is voorbij. We zijn geen renteniers. We worden
geroepen weer getuigen te zijn en de woorden te leren het evangelie te
vertalen voor mensen van nu. Voor de eigen kinderen, voor onszelf en
voor hen die buiten de kring van de gemeente verkeren.
Deze woorden
kunnen alleen vrucht dragen wanneer ze onderdeel zijn van een leven als
volgelingen van Jezus. Ik hoop en verwacht dat de missionaire toer van
dit jaar ons daarbij helpt.
Hoopvolle toekomst
In de derde plaats: met al onze grafiekenwijsheid vergeten we al snel dat we toeleven naar de ‘dag des Heren’. We kunnen wel gaan rekenen met tientallen jaren, maar we weten toch ook van een andere tijdsrekening. We leven tussen komst en wederkomst, en daarom moeten we niet te burgerlijk zijn en ons suf vergaderen alleen met godsdienstsociologen en hun grafieken om de tafel zitten. We roepen, ook als klein wordende kerk: Maranatha, kom Heer.