Tekst wijkavond 8 oktober 2015

Wijkavond donderdag 8 oktober 2015 - Katwijk aan Zee - Ik ben gedoopt (II)

 

Formulier voor de kinderdoop

Heidelberg 1566

 

Huidig (hertaald) doopformulier

(...)

Omdat Hij (d.i. Christus) op deze beloften ons zwakke geloof wil bevestigen, en aan ons (eigen) lichaam verzegelen, heeft Hij bevolen dat wij in de Naam van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest gedoopt zouden worden (Matt. 28:19).

Daarom ten eersten, als Híj  wil dat wij mét water ín de Naam van de Vader gedoopt worden, zo betuigt Hij ons, gelijk als met een zichtbare eed, al/heel ons leven lang, dat God (voor) ons en ons zaad Váder zijn wil, ons met alle nooddruft van het lichaam en de ziel verzorgen, en alle kwaad ons ten goede wendende, overmits dat alle creaturen (= schepselen) - vanwege het verbond dat wij met God hebben (Gen. 17:4) - ons niet (be)schaden kunnen, maar het onze zaligheid moet dienen (Rom. 8:28).

Ten anderen, als wij in de Naam van de Zoon gedoopt worden, belooft Hij ons, dat al hetgeen de Zoon van God gedaan en geleden heeft, ons eigen(dom) is, alzo dat Hij (voor) ons en onze kinderen (de) Zaligmaker is, ons met Zijn zaligmakende genade zalvende, ons door Zijn heilige ontvangenis, geboorte, lijden en sterven van alle onreinheid en zonden verlost heeft, en al onze vermaledijdheid  (vermaledeiung) aan het kruis genageld (Gal. 3:13), (die) zelf met Zijn bloed afgewassen, en met Hem begraven heeft (Rom. 6:4), en ons alzo van de helse pijn bevrijdt (heeft), opdat Hij ons door Zijn opstanding en hemelvaart met Zijn gerechtigheid bekleedt (Rom. 4:24), nu voor Zijn hemelse Vader voortreedt (Rom. 8:34) en (ons) in het laatste oordeel heerlijk en zonder vlek voor het aanschijn van de Vader presenteren zal (Ef. 5:27).

Ten derden, als wij in de Naam van de Heilige Geest gedoopt worden, wordt ons beloofd dat de Heilige Geest ons en onze kinderen (tot een) Leraar en Trooster (tot) in eeuwigheid zal zijn (Joh. 16:7 en 13), ons tot waarachtige lidmaten van het Lichaam van Christus maakt (Rom. 8:5) opdat wij aan Christus en al Zijn goederen (samen mét alle lidmaten van de christelijke kerk) gemeenschap zullen hebben. En ook dat onze zonden (tot) in eeuwigheid niet meer gedacht zullen worden (Jer. 31:34), ook de zonden en de zwakheid, die nog in ons overblijft, hoe langer hoe meer gedood (Rom. 6:11), (Hij, d.i. de Heilige Geest) in ons een nieuw leven begint en (uit)eindelijk in de zalige opstanding (waar dit vlees aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal zijn) volkomen geopenbaard wordt (Fil. 3:21; 1 Kor. 15:49).

(...)

(...)

Daarom worden wij gedoopt in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest (Matt. 28:19).

Als wij gedoopt worden in de Naam van de Vader, betuigt en verzegelt ons God de Vader dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade opricht en ons tot kinderen en erfgenamen aanneemt (Rom. 8:17). Daarom wil Hij ons met al het goede verzorgen, al het kwade van ons weren of dat kwade voor ons doen medewerken ten goede (Rom. 8: 28).

Als wij gedoopt worden in de Naam van de Zoon, verzegelt ons de Zoon dat Hij ons wast in Zijn bloed van al onze zonden en ons in de gemeenschap van Zijn dood en opstanding inlijft (1 Joh. 1:7). Zo worden wij van al onze zonden bevrijd en rechtvaardig voor God gerekend.

Als wij gedoopt worden in de Naam van de Heilige Geest, verzekert ons de Heilige Geest door dit heilig sacrament, dat Hij in ons wonen en ons tot leden van Christus heiligen wil. Zo wil Hij ons schenken wat wij in Christus hebben, namelijk de afwassing van onze zonde en de dagelijkse vernieuwing van ons leven, totdat wij uiteindelijk in de gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven geheel rein een plaats zullen ontvangen (Ef. 5:27).

(...)

 

Deel 2 - ons Doopsformulier

  • Belangrijk en troostrijk is de klemtoon van het oorspronkelijke formulier op de plaats van Christus in de heilige doop; Hij heeft het sacrament niet alleen ingezet; Hij is ook voortdurend de Belovende! Zou Hij iets zeggen en niet doen? Onmogelijk!
  • Daarom: ook de ellendekennis leren we van Hem.
  • Wat heeft het in zich gedoopt te zijn met water in de Naam van de Vader? Een beweging - je wordt ergens in gebracht (voorbeeld van stukken stof die in een kleurstof worden ingedompeld; de stof krijgt de kleur van de vloeistof waarin het gebracht werd ...)
  • Opvallend is de ruime bewoording (in het oorspronkelijke formulier): álle nooddruft, naar lichaam én ziel. In de context van de 16e eeuw mogelijk nóg sprekender! Let er verder op hoe er over het kwaad gesproken wordt.
  • De Naam van de Zoon: het oorspronkelijke formulier onderstreept de volle Christus; van begin tot eind - letterlijk: vanaf de ontvangenis tot het zitten aan de rechterhand van de Vader.
  • DL, hfdst. 1 par. 17: wezenlijk is: uit kracht van het genadeverbond. Op U ben ik geworpen! Niet bij onszelf, maar bij Hém te rade gaan. DaarBóven juicht een grote schaar van kinderen voor Gods troon ...
  • En als een (ouder) kind andere wegen gaat? In gemeente X is een gebedsgroep Moeders van het verbond.
  • Om verder te lezen:

-ds. C.G. Vreugdenhil, De lofzang van Dordt (m.n. pag. 138vv.)

-ds. L. Vroegindeweij, De troost der verkiezing deel 1 (m.n. pag. 226vv.)

-Joh. Calvijn, Institutie, IV, hfdst. 15vv.

-dr. J.G. Woelderink, preek: De onveranderlijkheid van Gods beloften - Rom. 9:33b, opgenomen in: Verbond en bevinding

-Hanneke Kunz -Dankers, Lentekind

-ds. H. Visser, Al jong naar Huis

 

 

Wijkavond 2 (8 oktober 2015 - Het Anker, Katwijk)

Zingen: Psalm 111: 3 en 5

Lezen: Mattheüs 28: 16-20

Inleiding

 

De grote verrassing van de vorige keer was dat - toen we het oorspronkelijke met het huidige doopsformulier vergeleken - het ons bijzonder opviel hoe het oude formulier met nadruk stelt dat Christus Zélf het sacrament heeft ingesteld. Maar ook - en dat raakte ons diep, dat het Christus Zelf is Die tegen ons en onze kinderen zegt dat wij in Zijn rijk niet komen, tenzij wij opnieuw geboren worden. Dat zegt HIJ!

Willen wij het van Hem wel aannemen? In de heilige doop spreekt Christus tot ons, hebben wij met Hem te doen. Niemand anders dan Hij. De grote Christus, het eeuwige Licht! En Hij is, zo stelde het oude formulier, Hij is het die ons (ver)maant onszelf voor God te verootmoedigen en een mishagen aan onszelf te hebben. Waarom? Wel ... (nog steeds het oude, oorspronkelijke formulier) zo bereidt Christus ons voor om Zijn genade te begeren. Dat doet Christus. Door Zijn Geest. In de weg van de ontdekking maakt Hij plaats voor Zichzelf. Dat is een belangrijke opmerking. Ellendekennis is niet iets wat je bij jezelf aanvangt, en dat je zelf begint en eindigt. Christus ontdekt onze ellende in ons en bij ons. Dat is ook zo'n wonderlijke diepe toon in onze Catechismus, juist aan het begin wanneer het gaat over de ellende en de ellendekennis. De wet ontdekt ons aan onze zonden en schuld voor God. Maar die eis van de wet ... hoe kom ik daarachter? Moet ik daar zelf achter zien te komen, mezelf als het ware dagen en nachten pijnigen, enzovoorts?! Dan geeft antwoord 4 (van zondag 2) dat ontroerende antwoord. Gevraagd is: Wat eist de wet Gods van ons? En dan geeft de Catechismus een antwoord -dat zo door-en-door Bijbels is, zo midden in de roos. Dat leert ons Chrístus ...

(...)

Er is niemand anders die ons dat leren kan. Je kunt natuurlijk wel heel veel zware praat over de wet en over zondekennis en ellendekennis doen, maar dat is dan niet de ellendekennis die God beoogt in u te werken. Dat is ons bezwaar ook tegen hen, en de theologie van hen, die menen dat Christus pas in de werk van de verlossing gekend gaat worden - en dat Christus ten slotte en ten laatste pas gekend gaat worden; Hij is de meest verborgen Persoon (...) en noem maar op. En dat je dus maar eerst zelf achter je ellende moet komen. Dat kan helemaal niet! Ik ga iets lelijks zeggen, maar wat zich hier als ultra-gereformeerd voordoet, is ten diepste vrijzinnig. Want broeders en zusters, ik kan niet zelf achter mijn ellende komen. Dat is veel te optimistisch gedacht van mijzelf. Want ... in ben immers dood in de zonden en de misdaden (Ef. 2:1). Dóód, hoort u wel? En dood is dood. Een dode kan niks. Een dode kan er toch niet zelf achter komen dat ‘ie dood is? Dan moet ‘ie eerst door een Ander levend gemaakt worden, en dan zegt ‘ie: ik was dood, en nu leef ik!

(...)

‘Ja maar, ik voel mijn ellende wel, hoor! En dat moet eerst diep gekend worden.' Ja, alles goed en wel - maar ellendekennis buiten Christus om, is niet de ellendekennis die Schrift beoogt. Hoogstens is het dat je jezelf vervelend voelt. Ik zeg het misschien een beetje cru, maar dat doe ik om Christus vanavond te verhogen ...

Want, u, jij en ik doen níks aan onze zaligheid toe. Ook die ellendekennis en het plaats maken - het voorbereiden van Zijn genade (zoals het oude formulier zo mooi zegt) is Zijn werk. Er bestaat geen geestelijk leven buiten Christus om. Wie zegt dat hij of zij eerst de ellendestaat diep moet doorleven, voor hij of zij tot Christus komen kan, vergeet dat het voorbereiden van die genade (ook) tot Christus' werk behoort! En stoot daarmee Christus van de troon! Christus is alles, maar Christus doet ook alles. Grote Christus!

Ik zeg dit, niet alleen als een ophalen van wat vorige keer aan de orde was, maar ook omdat we straks gaan zien hoe het oorspronkelijke formulier voortdurend en steeds Christus tot ons uitbrengt. U ziet in één oogopslag wel op het A-4tje hoe het huidige formulier behoorlijk ingekort is ten opzichte van het oude formulier. Vooral bij het stukje formulier dat uitlegt wat het betekent dat wij in de Naam van de Zoon gedoopt worden, is behoorlijk wat weggevallen. Dat is wel jammer, want daarmee is veel van wat Christus in die heilige doop allemaal doet en belooft, ook weggevallen. Ook dat persoonlijke - ik blijf dat herhalen, merk ik - dat persoonlijke dat het Christus is Die in de heilige doop met ons handelt. Niet de kerkenraad, niet de dominee met zijn ouderlingen en diakenen, niet de kerk ... maar Christus. Grote Christus!

Zoals ds. G. Boer dat ooit stelde in een van zijn preken over de sacramenten. Hij zei: ‘Wie de sacramenten opensnijdt, vindt Christus.' Steeds weer Christus en Christus alleen! Wie dat ontdekt, gaat zijn of haar doop verstaan. En leert er ook goed mee omgaan.

(...)

Zo gaat het oude formulier ook verder. U kunt dat meteen zien, in de linkerkolom  ... -daar vervolgt het oorspronkelijke formulier: omdat Christus op deze beloften ons zwakke geloof wil bevestigen, en aan ons lichaam verzegelen (daarom) heeft Hij bevolen dat wij in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest gedoopt zouden worden. Met een verwijzing naar het slot van  Mattheüs 28 - we lazen dat zojuist, waar de Evangelist ons het doopbevel beschrijft.

O Vader, dat Uw liefde ons blijk ...

Goed - en wat heeft het nu in zich dat u en jij, en onze kinderen in de Naam van de Vader zijn gedoopt? Daar zouden we eerst eens heel stil van moeten worden. Onvoorstelbaar dat God Zich zo bij ons aandient. Als een Vader. En nou weet ik heel goed dat het vaderbeeld beschadigd kan zijn, om welke reden dan ook. Maar, niet de aardse vaders staan model voor de hemelse Vader; het is precies andersom; God de Vader leert de aardse vaders hoe zij in hun gezin hebben te gaan en te staan. Laten daarom de vaders onder ons maar veel bidden: O Vader, dat Uw liefde mij blijk ... zodat ik - naar het evenbeeld van Christus gelijk gemaakt ... een goede, een vrome, een liefhebbende vader mag zijn ... voor mijn kinderen ...

Let nu even op de linkerkolom waar zo veel betekend staat dat Hij (d.i. Christus) wil dat wij met water in de Naam van de Vader worden gedoopt. Met water, in de Naam. Daar hebben we het ooit eerder, vanuit de verkondiging, ook over gehad. Met water, in de Naam. Laten we ons niks wijsmaken door mensen die beweren dat de Bijbel zegt dat we perse ondergedompeld moeten worden, of wat dan ook maar. Water is het teken, en er zijn in de loop van de geschiedenis diverse manieren geweest waarop volwassenen en kinderen werden gedoopt. Inderdaad - door onderdompeling, ook wel door begieting (Middeleeuwen) of besprenkeling. De Didachè (= onderwijs van de apostelen; geschrift eind 1e en begin 2e eeuw, met voorschriften voor de vroeg-christelijke gemeente) wijst erop dat er met/in koud water gedoopt moet worden. Kom daar eens om!

Nu is het teken natuurlijk niet geheel onverschillig! Met water! Water reinigt - dat is in alle culturen hetzelfde. God kiest een ‘algemeen' teken; een kind kan het begrijpen. Persoonlijk denk ik dat we met het water bij de doopbediening niet al te zuinig moeten zijn. Laat de predikant maar water scheppen uit het doopvont, handen vol. Immers ... er zijn nogal wat zonden die afgewassen moeten worden!? En, er is zoveel genade bij God voorhanden. Niet te zuinig met water dus. Maar het kind - zo werpt iemand tegen, het kind/de dopeling zou ervan kunnen gaan huilen! Ik vraag u: wat geeft dat? Dat is dan ons aller beeld - we willen van huis uit niet dat God aan ons handelt; dan zetten we - net als de dopeling- een keel op!

Met water, in de Naam. In de Naam. In het Grieks van het Nieuwe Testament in Mattheüs 28 vers 19 wordt duidelijk dat het om een beweging gaat. Je wordt ergens in gebracht. Het kind, uw kind ... onze kinderen worden in de Naam van de Vader gebracht. Denk daar niet te licht over! In de Griekse wereld was het indopen van stukken stof in een bepaalde kleurstof heel gewoon. Denk aan de kleur purper bijvoorbeeld. Daar doopte men een stuk linnen in; vervolgens nam dat stuk stof de kleur purper aan; het vereenzelfdigde zich met de kleur en de vloeistof waarin het werd ondergedompeld. Die woorden gebruikt het Nieuwe Testament voor ‘dopen in de Naam'. Je wordt in die Naam gebracht. Erin. Die Naam, zo heilig, groot en goed ...

Beseffen we welk een grote ernst dat in zich heeft?

(...)

Lezen we wat het oude formulier daar voor een rijke uitleg aan geeft. Als wij met water in de Naam van de Vader worden gedoopt, zo betuigt Hij ons, gelijk als een zichtbare eed (dus de heilige doop is een zichtbare eed!) ... al/heel ons leven lang dat God voor ons en ons zaad Vader wil zijn. Zo dient Hij Zich bij ons en onze kinderen aan; zo treedt Hij in heilige doop naar voren; Hij wil Vader zijn. Voor ons en onze kinderen. Is dat niet om te duizelen? We kozen immers tegen Hem!? We zijn immers de vader der leugens toe gevallen, in de armen gevallen? Wij wilden immers niet dat deze Vader over ons zou zijn? En nu ... Hij betuigt met een zichtbare eed dat Hij onze Vader wil zijn, heel ons leven (!) - en ons naar alle nooddruft van het leven naar lichaam ziel (hoort u de echo's uit de Catechismus - het is allemaal dezelfde bron!) verzorgen; alle kwaad ons ten goede wendende, omdat de schepselen ons niet schaden kunnen, maar (integendeel) onze zaligheid moeten dienen ...

(...)

Wie zinkt niet in verwondering weg, en in aanbidding neer? De Vader legt Zijn handen om heel ons leven. Alle nooddruft - naar lichaam en ziel! Alle nooddruft - alles wat u en jij nodig hebt. Wees in geen ding bezorgd - de Vader weet wat gij behoeft. Naar lichaam en ziel. Ook naar het lichaam, ja! Vergeet niet dat dit een formulier is uit de 16e eeuw, waar mensen vreselijk ziek konden zijn. De pest of de zoveelste epidemie. Moeders die in het kraambed stierven. Kinderen die jong stierven; vaders die niet oud werden. Alle nooddruft - naar lichaam en ziel. Om sprakeloos van te worden. Alle zorg wil Hij op Zich nemen. Leef ik zo uit mijn heilige doop? Liever - uit de beloften van de heilige doop? Of, nog liever - uit de beloften die God de Vader mij onderstreept in de heilige doop? Als ik ziek ben, ga ik op een draf naar de dokter. En dat mag ... de HEERE geeft ons hierin rijke zegeningen; dokters, ziekenhuizen en noem maar op ... Maar heb ik in mijn ziek-zijn ook aan de God en Vader van mijn doop gedacht? Mijn handen gevouwen, en gezegd: Vader ... Gij belooft voor mij te zorgen, naar lichaam en ziel ... ik beveel mij in Uw handen.

Naar lichaam en ziel. Ja, ook naar de ziel. Misschien is er wel iemand die werkelijk met de ziel onder de arm loopt - in geestelijk opzicht. Of moet iemand zeggen: Mijn ziel ligt sedert lang uit te drogen ...

Mijn ziel dorst ... al zo lang ...

Hebt u, beste broeder, al aan de God van uw doop gedacht? Aan de beloften die Hij deed. Hij beloofde immers ook voor uw ziel te zorgen. Dat uw ziel niet zou verkommeren. Heeft Hij beloofd. Dan vouwt  iemand zondagmorgen eerbiedig de handen, voor hij naar de kerk gaat, en zegt: Vader - dat er straks toch eten en drinken voor mij mag zijn, in Uw huis. Ik verdien dat niet, maar ik leg mijn hand op mijn voorhoofd - terwijl ik bid: HEERE, het is Uw belofte; wat Gij ooit beloofd hebt, zal bestaan! Zijn wij zo werkzaam met de belofte van de Vader ..? Bidden we zo voor onze kinderen, onze zieke kinderen; de zielen van onze kinderen ...

Trekken we de doop méér het dagelijkse leven in ...!

(...)

Er is nog iets waar de Vader een streep onder zet. Kijkt u even mee. Dat gaat over dat kwaad. Het hertaalde formulier zegt dat het kwaad van ons geweerd wordt, of dat het kwaad zal medewerken ten goede. Het oorspronkelijke formulier stelt dat God alle kwaad ten goede wendt. En ook dat alle schepselen zo in Gods hand zijn, dat ze ons niet beschadigen kunnen. Bij dat laatste hoor je duidelijk de context van de 16e eeuw doorklinken (geloofsvervolgingen, brandstapels etc. - uiteindelijk zijn ook de vijanden van Gods Kerk in Zijn hand).

Maar dat kwaad - het is zo ontroerend dat onze formulieren zo verschrikkelijk eerlijk zijn. Er is kwaad. Dat wordt niet onder tafel geveegd. Het huwelijksformulier begint er ook mee: tegenspoed en kruis. In het gebed rond de doopbediening wordt nog gezegd dat het leven een voortdurend sterven (een gestadige dood) is. Het gaat over kruis-dragen, jezelf verloochenen. De formulieren draaien er niet omheen. Gelukkig niet. Het leven zit niet altijd mee, (wel) vaak tegen. En dan? God de Vader belooft u en uw kinderen: het kwaad zal u niet schaden. Dat niet alleen: het zal ten goede worden gewend. En hier zullen velen van ons misschien diep moeten slikken, tranen moeten wegslikken. Vragen tuimelen door ons hart: Maar Heere God, waarom ..? En hoe de zin te ontdekken in dit wat mij overkwam ..? En duizend vragen meer. En duizend nachten meer, en duizend tranen meer. Moeders, die de puzzelstukjes niet meer kunnen passen. Vaders die zich machteloos in de handen slaan. Wat te doen? Onze knieën buigen, en het Hogerop gaan zoeken. Weet u wel: 'k ben gewoon in bange dagen, mijn benauwdheid U te klagen ...

HEERE, Vader in de hemel - beloofde U mij en mijn kinderen niet dat U het kwade ten goede zou wenden; ja, dat is Uw Woord - en al wat Gíj ooit beloofd hebt ...

Doen we dat? Functioneert de heilige doop zo in ons leven? Denkt u in slapeloze nachten, waarin de zorgen u uit de slaap houden; zorgen om uw kinderen; kleine kinderen, grote kinderen - denkt u dan ook aan God van uw doop. Dat God onze Vader wil zijn; Hij het op Zich genomen heeft in alle nooddruft te voorzien, naar ziel en lichaam. Heeft u het Hem al gezegd? Worden de beloften, worden de sterren niet pas zichtbaar als het donker wordt? Hoe donkerder de nacht, des te helderder flonkeren de sterren. In het donker van de nacht klink er ineens, schuchter en aarzelend ... een lied. Een lied in de nacht; ik zal Zijn lof, zelfs in de nacht, zingen omdat ik Hem verwacht ...

Hoe weet je dat zo zeker? Dat heeft Vader mij belooft! Heel nadrukkelijk toen ik en mijn kinderen werden gedoopt. Weet je - ik ben gedoopt! Hallelujah!

(...)

 

O Zoon, maak ons Uw beeld gelijk ...

We komen nu bij een prachtig stukje uit het formulier. Wat betekent het dat wij en onze kinderen met water in de Naam van de Zoon worden gedoopt? U ziet meteen dat het oorspronkelijke formulier daar veel woorden voor nodig heeft. Het staat in een (zeker) schril contrast met de soberheid van het hertaalde formulier. We kunnen niet overal even uitgebreid op in gaan, maar het opvallende van de uitleg in de oorspronkelijke versie van het doopformulier is dat het hele leven van de Heere Jezus ons ten goede komt. Ik bedoel dit: in de hertaling wordt alleen Zijn dood en opstanding genoemd; dat komt ons ten goede; daarin worden we ingelijfd. En dat is vaak ook hetgeen waaraan we denken wanneer het over de Heere Jezus gaat; Zijn lijden, sterven en opstanding. Het oude formulier begint echter bij het begin; kijkt u zelf maar mee. Als wij in de Naam van de Zoon gedoopt worden, dan belooft Hij (d.i. Christus) ons dat al hetgeen de Zoon gedaan en geleden heeft ons eigen(dom) is. Alzo dat Hij voor ons en onze kinderen de Zaligmaker is, ons met Zijn zaligmakende genade zalvende ... - en dan komt heel de weg van de Heere Jezus voorbij: Zijn heilige ontvangenis, geboorte, lijden en sterven, opstanding, tot en met het laatste oordeel!

Ik vind dat persoonlijk een machtige greep! Heel de Christus wordt ons hier uitgebracht; vanaf de heilige ontvangenis van de Heilige Geest, uit de maagd Maria tot en met Zijn zitten aan de rechterhand van de Vader, in heerlijkheid. De volle Christus; alles wat Hij gedaan en geleden heeft. Denk daar eens stil over na. Alles wat Hij gedaan en geleden heeft wil op uw naam gezet worden. Alles! Zijn ontvangenis, want wij worden in zonden ontvangen en geboren. Zijn geboorte, want ik moet opnieuw geboren worden. En noem maar op! De hele Christus - de hele weg. En zeg zelf: alles wat aan Hem is, is gans begeerlijk. We kunnen met een halve Christus niet zalig worden. De Heere Jezus heeft niet alleen geleden en is niet alleen gestorven. Hij heeft ook onder ons gewoond. Daar ga ik zelf steeds meer de troost van zien. Hij kent de misere van het aardse tranendal maar al te goed. Hij is Zelf (ook) in alle dingen verzocht geweest. Zo met huid en haar op onze verlossing betrokken dat Hij ons bestaan deelde. Zo, alleen zo is Hij een barmhartige Hogepriester Die behoorlijk medelijden kan hebben met onze zwakheden (Hebr. 4:16). Ik begrijp het - zegt Hij, en Hij zegt er geen woord teveel mee.

Hebben we dit gegeven ook al wel in onze gebeden verwerkt? Heere Jezus, U bent er Zelf in geweest; U stond bij zieken; kreupelen en blinden. U stond bij het graf van Lazarus ... U zag het verdriet van die moeder uit Naïn ...

Hier kunnen we nog wel even op door gaan. Maar doet u dat zelf nu maar, thuis ... dat geeft zoveel geestelijke vrucht en zegen, wanneer we voor onszelf Zijn gangen nagaan. Want de gangen ‘van onze God en HEERE zijn vol van roem en eer - en: aan Zijn volk gebleken! (Ps. 68:12 ber.) Leest u het Evangelie eens, en doe zoals Luther deed. Je begint bij het begin: Mattheüs 1: 1 en dan zo verder. En dan steeds schreef Luther in de kantlijn: voor mij ...

Voor mij gedaan; voor mij gegaan; voor mij geleden; voor mij gestorven, voor mij opgestaan ... voor mij naar de hemel opgevaren; voor mij aan de rechterhand van de Vader gaan zitten ...

... en let dan even op dat laatste wat - in het oude formulier - van de Zoon gezegd wordt, namelijk dat Hij nu voor Zijn hemelse Vader voortreedt (beseffen we dat, dat Hij alledag druk doende is?) en ons in het laatste oordeel heerlijk en zonder vlek voor het aanschijn van de Vader presenteren zal. Ontroerende zin! En let op de tekstverwijzing: Efeze 5:27, zo treffend! De Heere Jezus heiligt en reinigt de bruid met het waterbad door het Woord; de Kanttekeningen denken hier niet zonder reden aan de heilige doop! Zo reinigt de Zoon Zichzelf en de Vader een bruid, zonder vlek of rimpel. Om haar straks de Vader te presenteren; het loon op Zijn arbeid: Zie daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven heeft (Hebr. 2:13).

(...)

Jonge kinderen en het genadeverbond - op U ben ik geworpen, van de baarmoeder af

Nu een paar dingen over kinderen die jong, soms al in de moederschoot of net na de geboorte, sterven. Wat kun je dan zeggen over hun eeuwige bestemming? Dat is een teer onderwerp - waar velen van ons mee worstelen. Uit ondervinding; u of jij raakte zelf een kind kwijt aan de dood. Of in de directe omgeving, familie, vriendenkring ...

Een kind te moeten begraven, dat is een onbeschrijfelijk verdriet. Absalom, Absalom ...!

Eerst een klein verhaaltje. Ds. C.G. Vreugdenhil, op 't ogenblik predikant van de Gereformeerde Gemeente in Houten, was in 1976 op Papua (Irian Jaya) waar hij als zendeling werkzaam was. Hij en zijn vrouw ontvingen een baby uit Gods hand. Caroline heette ze. Maar ... Caroline werd spoedig ziek, heel erg ziek. Het ging de verkeerde kant op. Ds. Vreugdenhil schrijft hierover ontroerende dingen in zijn boekje De lofzang van Dordt. Over doorwaakte nachten en indringende gebeden tot God. ‘Uw wil geschiede HEERE, maar mogen wij Caroline alstublieft behouden!'  De toestand van Caroline verergerde, de dokter constateerde een hersenbloeding terwijl het kleine kind vocht voor haar leven. In een nacht van zaterdag op zondag stierf Caroline. Ds. Vreugdenhil schrijft: ‘Toen mijn vrouw haar in de armen nam, was ze nog warm. Het leek net of ze sliep. De dokter en de zuster verlieten de kamer (...) onbeschrijfelijk is dan je verdriet. (...) ‘Waar zou ze zijn?' snikte mijn vrouw. ‘In de hemel', antwoordde ik, en ik schrok eigenlijk direct van mijn eigen antwoord. Welke grond had ik daarvoor? Ik dacht aan het bloed van de Heere Jezus, dat ook voor zuigelingen vergoten was ...'

(...)

Hoe zit dat nu? In de Dordtse Leerregels is er een paragraaf aan gewijd. U weet dat ongetwijfeld: hoofdstuk 1, paragraaf 17. Daar zit natuurlijk een verhaal achter. Kort en goed: in de strijd tussen de Remonstranten en de Contra-Remonstranten moesten de Dordtse vaderen een antwoord geven op de vraag of jong gestorven kinderen nu wel of niet zalig zouden zijn. De Remonstranten zeiden tegen de Contra-Remonstranten: ‘Als jullie uitgaan van de verkiezing - en dat deden de Contra-Remonstranten- dan weet je maar niet of kinderen zalig zijn; je bent immers verkoren of je bent het niet.' Een wonderlijk en ontroerend genoeg hebben de Dordtse vaderen (en reken erop dat er in die tijd heel wat kinderen jong stierven!) een antwoord daarop gegeven, waarbij niet wordt geredeneerd vanuit de verkiezing, maar vanuit het genadeverbond. Artikel 17 zegt: Nademaal wij van de wil Gods uit Zijn Woord moeten oordelen, hetwelk getuigt dat de kinderen van de gelovigen heilig zijn, niet van nature, maar uit kracht van het genadeverbond, in hetwelk zij met hun ouders begrepen zijn, zo moeten Godzalige ouders niet twijfelen aan de verkiezing  en zaligheid van hun kinderen, welke God uit hun kindsheid wegneemt (Gen. 17:7; Hand. 2:39; 1 Kor. 7:14).

 

Ter overweging, puntsgewijs, het volgende:

  • Wie de geschriften van de gereformeerde vaderen leest (en ook Calvijn bijv. in de Institutie) merkt hoe ‘ruim' onze vaderen dachten; of beter: hoeveel vertrouwen en geloof ze hechten aan de beloften Gods; dat staat er immers: uit kracht van het genadeverbond!
  • Het gevaar is voortdurend dat we bij onszelf te rade gaan; onze gevoelens en ons geloof tot ijkpunt maken. Echter: uit kracht van het genadeverbond. Onze kinderen worden niet vanwege ons geloof, maar vanwege Zijn beloften zalig.
  • Ik weet; deze dingen zijn geen wiskunde: verbond en verkiezing vallen niet altijd samen.
  • De worsteling die ouders zullen hebben, zal een worsteling om de beloften moeten zijn, waarin we God en God alleen overhouden. Onze kinderen worden niet zalig omdat ze nog geen goed of kwaad hebben gedaan; ook niet omdat iemand een bijzondere openbaring daarover gekregen heeft; ook niet vanwege het geloof van de ouders; er is maar een vaste grond: het genadeverbond. Zijn beloften. Door U, door U alleen - om het eeuwig welbehagen!
  • Ten slotte dit: wellicht kennen we het verhaal van ds. Woelderink. In 1941 raakte hij plotsklap drie kinderen aan de dood kwijt; een bus op weg naar school raakte door de mist van de dijk af en reed de IJssel in. Dominee Woelderink had niet alleen het intense verdriet van zijn eigen verlies (zijn eerste vrouw was acht jaar eerder gestorven), ook moest hij als predikant andere ouders, die ook een kind verloren hadden, troosten. Zijn eerste preek na het ongeluk was een preek over Romeinen 9 vers 33b: Een iegelijk die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. Een diepontroerende preek, waarin hij zijn worsteling om het zielenheil van zijn kinderen eerlijk beschrijft. Hij zegt dan op zeker ogenblik -en dat treft diep, dat hij zelf zo bezig is geweest met de vraag waar zijn kinderen nu waren. Als hij nu maar wist dat ze in de hemel waren! Maar ... zegt hij dan: ‘Op zeker ogenblik besefte ik dat ik met deze vragen aan God voorbijging (...) Dan zoekt hij zijn rust in de wetenschap dat de zijnen behouden zijn, meer dan in God Zelf (...) zo wordt de vraag geboren voor ieder van ons: kunt u de uwen, die God u ontnam, aan God overgeven en toevertrouwen. Kunt u en durft u ook het oordeel aan Hem over te laten? Of wilt u eerst verzekerd zijn van de goede uitkomst, eerst wetenschap hebben van hun zaligheid, voordat u het in Gods handen overgeeft.'
  • Er is een ogenblik waarop wij de hand op de mond leggen; God God laten, werkelijk op de knieën gaan. ‘O diepte van rijkdom, beide der kennis en der wijsheid Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen! Want wie heeft de zin des HEEREN gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest ... uit Hem, en door Hem en tot Hem zijn alle dingen.'
  • ‘En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God ...' (Openb. 20:12). Daarboven juicht een grote schaar van kinderen voor Gods troon ...

Zingen: Psalm 22:5