Tekst wijkavond 26 november 2015

Wijkavond donderdag 26 november 2015 - Katwijk aan Zee - Ik ben gedoopt (IV)

 

Gebed vóór de bediening van de Heilige Doop (formulier voor de kinderdoop, Heidelberg 1566)

O, Almachtige, eeuwige God, Gij Die naar Uwen strengen oordeel de ongelovige en onboetvaardige wereld met de zonvloed gestraft hebt, en de gelovige Noach, zijn achten (zijn achttal), uit Uw grote barmhartigheid behouden en bewaard (Gen. 6, 1 Petr. 3:20). Gij Die de verstokte farao met al zijn volk in 't Rode Meer verdronken hebt, en Uw volk Israël droogvoets daar doorheen geleid hebt (Ex. 14:28), door dewelke deze doop beduid wordt (1 Kor. 10:2 en 1 Petr. 3:21). Wij bidden U door Uw grondeloze barmhartigheid dat Gij dit Uw kind genadiglijk wilt aanzien en door Uw Heilige Geest Uw Zoon Jezus Christus inlijven, dat het (kind) met Hem in Zijn dood begraven worden (Rom. 6:4), en met Hem mag opstaan in een nieuw leven, opdat het (kind) zijn kruis, Hem dagelijks navolgende, vrolijk dragen mag, Hem aanhangen met waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde, (op)dat het dit leven (hetwelk toch niet anders is dat een gestadige dood - Job 7:16, Ps. 90:9) om Uwentwil getroost verlaten, en ten laatste dage voor de rechterstoel van Christus Uw Zoon, zonder verschrikken (onverschrokken) mag verschijnen, door onze Heere Jezus Christus, Uw Zoon, Die met U en de Heilige Geest een enig God, leeft en regeert in eeuwigheid, amen - Onze Vader, Die in de hemelen zijt ... enz.

 

Gebed ná de bediening van de Heilige Doop (formulier voor de kinderdoop, Heidelberg 1566)

 

Almachtige, barmhartige God en Vader, wij danken en loven U dat Gij ons en onze kinderen door het bloed van Uw lieve Zoon Jezus Christus al onze zonden vergeven (Ef. 1:7; 2:13) en ons door Uw Heilige Geest tot lidmaten van Uw eniggeboren Zoon en alzo tot Uw kinderen aangenomen hebt. En dat U dit met de Heilige Doop verzegelt en bekrachtigt. Wij bidden U ook door Uw lieve Zoon dat Gij dit kind met Uw Heilige Geest altijd wilt regeren, opdat het (kind) christelijk en godzalig opgevoed wordt én in de Heere Jezus Christus (Joh. 15:5)  wasse en toeneme, opdat het (kind) Uw Vaderlijke goedheid en barmhartigheid (Ps. 103:13), die Gij hem/haar en ons allen bewezen hebt, mag bekennen, en in alle gerechtigheid  (Luk. 1:75) onder onze enige Leraar, Koning en Priester Christus Jezus leve en vroom tegen de zonde (Ef. 6:12; Gal. 5:24), de duivel en zijn ganse rijk strijden en overwinnen moge, en Uw Zoon Jezus Christus, mitsgaders de Heilige Geest de enige en waarachtige God (Joh. 17:3) eeuwiglijk te loven en te prijzen, amen.


Verschillende doopvragen

Doopvragen uit het formulier van de Paltz - 1566

1.     Eerstelijk - hoewel onze kinderen in zonden ontvangen en geboren zijn (Ps. 51:6) en daarom aan allerhande ellendigheid, ja aan de verdoemenis onderworpen zijn (Ef. 2:3), of gij niet bekent/belijdt dat zij in Christus geheiligd zijn (1 Kor. 7:14) en daarom als lidmaten van Zijn gemeente (1 Kor. 12:13) behoren gedoopt te wezen?

2.     Ten andere, of gij deze leer, die hier geleerd wordt (2 Tim. 3:14) en voordien in het Oude en Nieuwe Testament en in de artikelen van het christelijk geloof begrepen is, niet belijdt de waarachtige en volkomen leer van de zaligheid (Rom. 12:2) te wezen?

3.     Ten derde - of gij niet belooft en voor u(w rekening) neemt dit kind (Gen. 18:19; Ex. 13:14; Ps. 78:4; Ef. 6:4; Hebr. 6:2) als het tot zijn verstand komt, daarin naar uw vermogen te onderwijzen?

Opmerking: vergelijk met de huidige doopvragen: 1) verschil in formulering in tweede doopvraag; 2) de derde doopvraag noemt alléén de ouders.

Doopvragen van Marten Micron in de Christelijke Ordinatiën - Ned. Vluchtelingengemeente in Londen - 1554

 

1.     Ten eerste, aangezien Christus de Heere de waterdoop heeft ingesteld om Zijn gemeente daarmee te wassen, zo vraag ik u, of gij dit kind, dat gij nu ten doop presenteert, belijdt een zaad van de gemeente, door de kracht van Gods verbond te wezen, aan hetwelk naar de eis van onze dienst de doop toekomt, hoewel zij van nature kinderen des toorns en des doods zijn? Antwoord: Ja.

2.     Belijdt gij ook niet dat gij en de gehele gemeente schuldig is de voorzijde verborgenheden van de doop in uw leven tot uitdrukking te brengen en dit kind/deze kinderen, als het tot zijn verstand is gekomen, in deze verborgenheden en in de waarachtige kennis Gods, een ieder naar zijn vermogen te onderwijzen? Antwoord: Ja.

Doopvragen van Johannes a Lasco in Forme ac Ratio - 1555

 

1.     Of deze kinderen die gij presenteert ook een zaad van onze kerk zijn, opdat zij door onze dienst hier wettig gedoopt zullen worden. Zij antwoorden: Ja.

2.     Erkent gij dat onze leer, die gij over de doop en haar verborgenheid gehoord hebt, waar is en dat onze kinderen wel van nature (zoals ook wij allen) kinderen des toorns en des doods zijn, maar nu met ons in het goddelijk verbond begrepen, op Christus' bevel met het zegel van de aanneming Zijner gerechtigheid, ik bedoel de doop, gewisselijk behoren verzegeld te worden? Zij antwoorden: Ja.

3.     Ten laatste of gij niet bekent dat het uw en tegelijk de schuldige verplichting van de gehele kerk is, maar vooral echter gij vaders, samen met uw vrouwen, de moeders van deze kinderen, wanneer zij beginnen op te groeien in de ware kennis en religie van God te doen onderwijzen? Zij antwoorden: Ja.

Wijkavond 4 (26 november 2015 - Het Anker, Katwijk)

Zingen: Psalm 25: 3 en 5

Lezen: Genesis 6: 9-18; 1 Petrus 3: 15-22

Inleiding

Vanavond willen we samen nadenken over de gebeden rondom de doopbediening. Dat is een uitermate gewichtig thema. Opvallend is dat in de tekst van de gebeden vrijwel niets gewijzigd is. We hebben op de eerste drie wijkavonden gezien en gemerkt dat er in de tekst van het formulier - het zogenaamde onderwijzende/didactische gedeelte, een en ander is ingekort voor wat betreft ons huidige formulier (vergeleken met het oorspronkelijke formulier uit 1566). Dat geldt echter niet voor de tekst van de gebeden. Gelukkig ook maar! Je kunt je ook afvragen: wat zou je dan precies willen wijzigen of inkorten? Dat betekent niet dat er over de gebeden niets en nooit iets te doen is geweest, juist wel. We komen daar zo nog wel op - de tekst en inhoud van de gebeden hebben niet zelden aanleiding gegeven tot discussie en veel gesprek. Wat we bidden nogal wat! We belijden nogal wat! Beseffen we dat? Verstaat gij wat gij bidt?

De tekst van de gebeden staat op het A-4tje afgedrukt; u ziet nogmaals - dat ziet er feitelijk hetzelfde uit als wat we in ons huidige, hertaalde formulier vinden.

Voor we ingaan op de tekst van de gebeden, een paar opmerkingen vooraf. Eerst deze opmerking. Het is opvallend hoe dicht de gebeden op de Bijbel zitten. Ik heb op het A4'tje aangegeven - tussen de tekst van de gebeden door - naar welke teksten en Bijbelgedeelten de zinnen uit de gebeden verwijzen, of waar ze soms letterlijk zijn ontleend aan de Bijbel(tekst). Dit lijkt mij een buitengewoon belangrijke observatie. De gebeden zijn doordrenkt van, en diep geworteld in de Schrift. Er zit weinig ‘eigens' tussen. Dat is een mooi iets. Want wanneer er weinig eigens (d.i. van onszelf) tussen zit, kan er ook het minste mis gaan. De vraag laat zich stellen, vanuit de gebeden rond de Heilige Doop (maar hetzelfde geldt voor de andere formuliergebeden, hoe Bíjbels onze gebeden (feitelijk) zijn. Er is een prachtig boekje van de bekende puriteinse dominee Matthew Henry, waarin hij op een ontroerende wijze laat zien hoe waardevol het is dat we bidden met Bijbelteksten, om het zo maar te zeggen. Bidden is immers niets anders dan Hem Zijn eigen woorden, beloften en toezeggingen voor te houden. Niet onze verhalen afsteken - en hoe vaak gebeurt dat niet? Zonder daar heel lang op door te gaan, maar soms zijn onze gebeden halve preken waarin wij de HEERE vertellen hoe God een mens bekeert. Alsof de HEERE dat Zelf niet weet?! Onze gebeden hebben heel veel bekering nodig. En u moet maar eens naar voorbeelden zoeken in de Schrift, om te zien hoe indrukwekkend en zuiver het is wanneer mensen met de Schrift bidden. Of zingen! Wanneer Jona in de vis zit en gaat bidden, u kijkt dat maar na in Jona 2 - dan is dat een aaneenrijgen van Psalmwoorden. Is de Heere Jezus Zelf ons daarin niet Voorbeeld-ig voorgegaan? Met Psalmwoorden op Zijn lippen gestorven.

Welnu, even terug nog naar Matthew Henry. We leren van hem dat deze gebeden God het meest welgevallig zullen zijn. We treden Hem met Zijn (eigen) Woord tegemoet. Dat moeten we dat Woord wel kennen, ja natuurlijk! Meteen een ontdekkende vraag: kénnen wij dat Woord? Weten wij wat God aan beloften doet? Met andere woorden: weten wij wat we van Hem mogen vragen? Daar is -naar ik meen, veel verwarring over. En de discussie over de inhoud van onze formuliergebeden - en dat er zelfs predikanten zijn geweest die weigerden het formuliergebed te bidden (omdat ze het te ver vonden gaan ... ect.) hebben dan toch hiermee te maken dat wij er geen voldoende besef van hebben wat God in Zijn Woord allemaal toezegt, belooft.

(...)

Onze gebeden hebben bekering nodig. Ze moeten Bijbelser worden. Dat geldt overigens ook onze preken. Daar zit dikwijls nog veel teveel ‘eigens' tussen. Ik zeg het uiteraard eerst tegen mezelf, maar we moeten veel meer uit de Schrift vandaan preken. Uit de tekst vandaan. Er wordt onder ons veel over de tekst gepreekt, maar weinig uit, denk ik wel es. Want: Wat staat er nou? Wat staat er nou echt? Spellen. Woord-voor-woord. En van een predikant mag je verwachten dat hij een en ander vanuit de grondtekst heeft nagekeken. Het luistert immers nauw? U wordt immers ook graag juist geciteerd? Dus niet over die tekst heen preken of er een paar mooie, dierbare dingen over zeggen, maar door de knieën. Op de knieën bij het Woord, eronder komen. Enzovoorts.

We hebben teveel afgeleide preken gekregen. En afgeleide gebeden. Dat komt wanneer je het vertrekpunt bij jezelf, of bij de mens neemt. Dat is natuurlijk in, ook in de kerk. Je moet beginnen, zei eens iemand; je moet beginnen in de prediking waar de mensen zitten. Zo'n opmerking snap ik, maar klopt volgens mij niet. Je moet bij God beginnen. Bij het Woord. God zoekt Adam en Eva op, in het paradijs. En Hij zegt dan niet: ‘Zeg Adam, wat ontzettend vervelend voor je dat je je zo schaamt vanwege de zonde; hoe voel je je nou?' Ik bedoel dit pertinent niet oneerbiedig, begrijp me goed. Maar zo wordt er niet zelden gesproken of gepreekt. Of gebeden. Echt hoor - en dat is minder ver bij ons vandaan dan we denken. Elke dominee zal zich bij iedere preek de vraag moeten stellen: Komt God aan Zijn eer?!

De Heere Jezus houdt halt bij Zachaüs, die hoog in de boom zit. Inderdaad, Hij stopt daar waar de tollenaar zit, maar zegt dan wel: Kom die boom maar uit, bij jou moet Ik vandaag wezen!

De profeten van Israël lagen niet op hun knietjes voor de mensen van hun tijd, maar lagen wel op hun knieën voor de heilige God. Alzo zegt de HEERE!

Dat was de kracht van de Reformatie, waardoor er zovelen tot geloof en bekering kwamen. Goed, genoeg!

(...)

Welnu, onze gebeden dus. Hebben bekering nodig, voortdurend. Toetsing aan het Woord. Ik zou zeggen: hoe Bijbelser een gebed, hoe beter. Afgezien of we over ‘goede' gebeden kunnen spreken (wanneer wij ze doen), maar u begrijpt wat ik bedoel.

Laten we de proef op de som nemen door met het gebed voor de doopbediening te beginnen. Overigens - zo belangrijk dat we eerst bidden voordat de vragen aan de doopouders worden gesteld. Let op de volgorde. Eerst onderwijs, maar dan gaan we maar niet meteen over tot de bediening, alsof het allemaal in een keer door kan. Nee, voor de bediening van de Heilige Doop en voor het (laten) beantwoorden van de doopvragen door de doopouders gaan we eerst eerbiedig in gebed. Onze Hulp is immers in de Naam van de HEERE!? Anders gaat het toch niet? Anders kan het niet! Anders zouden we maar beter niet kunnen dopen. Beseffen we dat? Wie het onderwijs uit het formulier goed begrepen heeft, zal niet anders kunnen en willen dan eerst bidden. Maar al te goed besef je immers; ik sta in de Heilige Doop voor een onmogelijke opgave. Laat ik eerst bidden of Hij me helpt. Welzalig is de doopouder die zijn hulp en kracht alleen van Hem verwacht.

Vandaar dat we in het formulier lezen: opdat wij deze heilige instelling van God tot Zijn eer, tot onze troost en tot opbouw van de gemeente mogen bedienen, laten wij Zijn heilige Naam aanroepen. Mooi gezegd; aanroepen! Een schreeuw, een roep om hulp! Er is nood - hoe moet dat? Hoe doe ik dat? Hoe kan ik mijn kinderen opvoeden zoals ik straks ga beloven? Enzovoorts! Dan is er maar een weg: roepen! Hem aanroepen! Wie Hem aanroept in de nood, vindt Zijn gunst oneindig groot.

(...)

Let nog heel eventjes op die prachtige zinsnede: tot stichting van de gemeente. Ja! Je moet dat woordje stichting zo letterlijk mogelijk nemen, zegt dr. J. Koopmans. Het gaat in de doopbediening maar niet om een of ander stichtelijk ogenblik. Ontroerend ogenblik niet, wanneer de kleintjes in de armen van hun moeder worden gedoopt? Menigeen pinkt een traan weg. Maar, verkijk je niet! In en met de bediening van de Heilige Doop wordt de gemeente als het ware opnieuw ‘gesticht'. Door Gods beloften wordt er opnieuw grond onder het bestaan van de gemeente gelegd. Beseffen wij dat? De Heilige Doop fundeert het bestaan van de gemeente in de beloften van God. Daar is weinig stichtelijks aan, in de dierbare zin van het woord, want zonder die belofte zou de gemeente weg zijn; echt - werkelijk weg zijn. Of de gemeente zou tot vereniging worden.

Maar ... even nog: zien en beleven wij het zo? Wanneer er kinderen worden gedoopt, dan wordt de gemeente gebouwd. Een wonder, toch? Er worden er letterlijk toegedaan bij de gemeente, maar dat is het allerbelangrijkste niet. Beseffen wij met elkaar dat we bij en na elke doopdienst diep door de knieën moeten gaan met het gebed op onze lippen of deze kinderen levende stenen zullen mogen zijn, zodat de gemeente werkelijk gebouwd wordt - en de eer van God vergroot?!

(...)

En dan het gebed zelf. We moeten oppassen dat we het gebed vanavond niet gaan analyseren. Dan is de kracht er zo uit weg. Tóch, we willen er goed naar luisteren om de hartenklop van deze woorden en zinnen goed te verstaan.

Het gebed uit ons doopformulier is een van de oudste documenten van de Kerk. Dit gebed is al van voor de Reformatie, uit de tijd van de Middeleeuwen dus! Opvallend daarom dat ze nog steeds ‘dienst' doen! In doopliturgieën van Luther en Zwingli komen we grote delen van ‘ons' gebed ook tegen. Olevianus - de vermoedelijke eindredacteur van het doopformulier - heeft de tekst van Zwingli (niet van Calvijn!) overgenomen.

Almachtige en eeuwige God, Gij Die naar Uw streng oordeel de ongelovige en onboetvaardige wereld met de zondvloed gestraft hebt ...

Let op de aanhef, liever: de aanspraak. Almachtige en eeuwige God. God wordt naar Zijn grootheid genoemd, aangeroepen. Almachtig. Eeuwig. Groter kunnen we Hem in onze woorden niet maken. Almachtig - Hij kan alles. Eeuwig - Hij is er altijd al geweest en zal er altijd zijn. Is Hij ook groot voor ons? Belangrijke vraag. Het valt me op dat juist in doopdiensten God zo klein wordt gemaakt - om zo te zeggen. Door een overigens terechte nadruk op Zijn barmhartigheid, liefde en trouw ‘verkleinen' we Hem. Zeker wanneer we ook nog eens zingen over de trouwe Kindervriend, het wordt dan allemaal heel knus en klein.

Almachtige! Eeuwige! Voor déze God staan we. Met onze kinderen. Mag het zijn in de gestalte van Abraham, die zei: Zie toch, ik heb mij onderwonden te spreken tot de Heere, hoewel ik stof en as ben ... (Gen. 18:27).

Het gaat er in het leven bekering om dat Hij groter wordt en ik kleiner. Dan wordt de verwondering groter, de liefde sterker en de genade vloeit overvloediger. God is al klein geworden (in de Heere Jezus), nu gij nog (Augustinus).

Dan komt er een stukje in het gebed dat veel discussie en gespreksstof heeft opgeleverd. In de literatuur wordt het gebed voor de doopbediening niet zonder reden het zondvloedgebed genoemd, vanwege de passage die ons nu voorligt. Veel dominees in het verleden (of dat nog gebeurt, weet ik niet ...) lieten de zinnen over de zondvloed en de doortocht door de Rode Zee weg. De reden was dat men vond/dacht dat de zondvloed en de doortocht moeilijk met de betekenis van de Heilige Doop samen kon vallen. Maar laat dat nu juist wel het geval zijn!

In het verwijzen naar de zondvloed en de doortocht worden de twee zijden van de Heilige Doop aangewezen, met een ontroerende duidelijkheid en helderheid. Immers, het beeld van de zondvloed wijst ons op Gods afschrikwekkende oordeel over de wereld die in het boze ligt. God toornt vreselijk, zoals Hij in Genesis 6 vreselijk toornt over de slechtheid van de mensenkinderen. Alles moet verdrinken! Heel de wereld, die in het boze ligt. Maar ... er is een mogelijkheid om aan de zondvloed te ontkomen: de ark! Wie in de ark was, werd behouden.

Dat je de ark gezien had, was niet voldoende. Dat je over de ark gehoord had, was niet voldoende. Dat je aan de ark gevoeld had, was niet voldoende. Alleen zij die ín de ark waren, werden behouden.

Luther, die de eerste was die deze (oude) passage opnam in zijn doopformulier, legt het zo uit: Door een beeld geeft Petrus aan wat het geloof betekent. Zoals het daar toeging, toen Noach de ark maakte, zo gaat het nu nog. Zoals Noach behouden is in de ark die op het water dreef, zo moet gij in de doop behouden worden. Zoals toen het water alles wat leefde, mensen, beesten, verdronk; zo verdrinkt ook de doop alles wat vleselijk is en van de oude natuur is, en maakt geestelijke mensen. Wij drijven nu met de ark, die beduidt Christus de Heere of de christelijke kerk, of het evangelie dat Christus predikt, of het lichaam van Christus, waarin wij als gelovigen opgesloten zijn door het geloof en behouden worden, evenals Noach in de ark.'

We moeten hier goed begrijpen; wat Petrus doet in zijn zendbrief is een soort ‘herinterpretatie' van Genesis 6-7. In Genesis is het water oordeel en vernieling; dood en verderf. Petrus zegt dat de doop het ‘tegenbeeld' is; ofwel: het water doodt inderdaad de ongelovige en onboetvaardige wereld - en wij en onze kinderen zouden óók in dat water moeten verdrinken, maar worden - Gode zij dank - door het (doop)water heen gered [vgl. een middeleeuws gebruik waarbij de dopeling door het water heen gehaald werd].

Elke dopeling heet Mozes! Uit het water getogen ... (je hád moeten verdrinken, maar Goddank, daar is die hand van God Die je grijpt, terwijl anderen om je heen verdrinken in de wateren van Gods toorn - de Heilige Doop is een drama! [vgl. de wijze van dopen in Zwitserland ...]

(...)

Verstaan we dit? Dopen is redden! Door het oordeel heen geréd worden. Wie hier iets van verstaat, staat met knikkende knieën bij het doopvont. Want - en dat is het tweede Bijbelse beeld dat het gebed oproept, vanuit Exodus 14, de farao van Egypte en zijn ruiters zijn allemaal verdronken in de Rode Zee. Wat voor het volk Israël redding was (door het water heen naar de veilige overkant) was voor anderen dood en verderf. In het water van de Heilige Doop kan men óók verdrinken! De kerkvaders hebben dit buitengewoon scherp gezien en onder woorden gebracht. Heilige Doop is voordeel of oordeel. Zegen of vloek. Hoe dan? Dat zegt Paulus ons, wanneer hij in 1 Korinthe 10:1-13 op Exodus 14 terugkomt. Geloof of ongeloof. Geloof redt door het water heen; ongeloof doet in het water verdrinken. Dat geldt nog! Diepe ontsteltenis en grote bewogenheid mogen ons wel aangrijpen. Er zijn zo veel kinderen in Katwijk gedoopt. Waar echter geen geloof gevonden wordt, getuigt het doopwater met een ontstellende kracht tégen ons. Hebben wij dat elkaar steeds goed uitgelegd? Hebben wij de doopouders dat voldoende verteld. Die vraag beangstigt mij weleens: Hebben wij het duidelijk genoeg gezegd!? Men kan tot een oordeel eten en drinken tijdens het Heilig Avondmaal; men kan tot een oordeel horen onder de wekelijkse verkondiging; men kan ook tot een oordeel dopen ...

(...)

Het volk Israël ging droogvoets (!) door de Rode Zee. Hoe komen wij en onze kinderen nu droogvoets door het Heilige Doop heen. Hoe overleven wij en onze kinderen het grote oordeel Gods? Alleen door het geloof in Zijn machtige beloften. Anders kan het niet, en anders gaat het niet. De farao had een verstokt hart. Een hart dat zich gaandeweg meer sloot voor de stem van God; een hart dat op slot ging. Je ziet het in Exodus gewoonweg gebeuren. Keer op keer sluit farao's hart zich en ten slotte staat er dan dat God farao's hart verhardde. Zo gaat dat. Wanneer iemand keer op keer nee zegt tegen God, tegen Zijn genade en liefde, dan zegt God op zeker ogenblik: uw wil geschiede (C.S. Lewis). Ons gebed mag wel voortdurend zijn dat de harten van onze kinderen (en onze harten!) teer mogen zijn, vertederd mogen worden. Een teer en week hart ontvangt indrukken die blijvend zijn. Is dat geen grote taak voor de ouders? Wanneer de kinderen klein zijn, is het kinderhart vaak zo teer en gevoelig voor de dingen van de HEERE. Laten we daar goed bij blijven, veel zorg besteden aan het kinderhart. We kunnen het niet genoeg tegen elkaar zeggen. Dat moeten de vaders en moeders doen. In het oorspronkelijke formulier van de Heilige Doop worden bij de derde doopvraag slechts en alleen de ouders genoemd (!). Het ‘doen en laten onderwijzen' is een latere invoeging. Deze toevoeging (vreemd, want er zijn in feite alleen maar dingen weggehaald, behalve dan dat nu juist dit toegevoegd is - een zinnetje waar velen ‘misbruik' van maken ...)

Zingen: Psalm 78: 2 (+ collecte)

Pauze

Zo leest het gebed dan ook verder: Wij bidden U bij Uw grondeloze barmhartigheid dat Gij dit kind (of: deze kinderen) genadiglijk wilt aanzien en door Uw Heilige Geest Uw Zoon Jezus Christus inlijven ...

Let erop - u kunt dat zien, dat in de oorspronkelijke versie staat: Wij bidden U bij Uw grondeloze barmhartigheid dat Gij dit Uw kind ...

Uw kind. Immers, er is ten diepste niets van ons bij. God heeft er recht op. Uw kind. Het is van Hem. Ook dat hebben wij goed te bedenken - we krijgen ze slechts eventjes te leen; en wat doen we in die tussentijd? Hij komt erop terug!

(...)

En nu wilde ik even inzoomen op dat laatste stukje van het gebed voor de doopbediening. U kunt dat meelezen. Er wordt dus gebeden of het kind ingelijfd mag worden in het leven en sterven van de Heere Jezus (in Zijn dood begraven en met Hem opstaan ...). Dat zeggen of bidden wij vrij gemakkelijk, maar wat zit daar veel aan vast. We vragen of onze kinderen verbonden mogen worden met de weg van Christus. Ook sterven, aan zichzelf. Ook opstaan, met Hem. Horen we dat? Ook sterven, aan zichzelf. Leggen we dat onze kinderen uit? Dat ze moeten sterven aan zichzelf? Dat staat haaks op wat de wereld ons en onze kinderen voorhoudt. Daar moet je immers jezelf bewijzen, jezelf profileren - desnoods ten koste van een ander. Maar aan Christus verbonden worden, is de onderste weg gaan. een stapje terug doen. Niet alleen aan jezelf denken. Doen we dat als ouders voor? Sowieso: doen wij dit als ouderen aan onze jongeren en kinderen voor? De minste willen zijn, dienen - een stapje terug, de ander voor laten gaan ..?

(...)

Let erop - het wordt nog concreter wanneer we in het gebed bidden of onze kinderen ‘hun kruis in de dagelijkse navolging van Christus blijmoedig mogen dragen ...'

Wat bidden we hier veel! We moeten hier scherp onderscheiden, want wat wordt hier nu met kruis bedoeld? Velen van ons denken dan in het algemeen aan de dingen die ons in het leven overkomen kunnen. We zeggen dan: ieder huisje heeft z'n kruisje. En wat zijn er inderdaad geen zorgen en noden, verdrietigheden in overvloed - wanneer we om ons heen kijken. Maar dat kruis bedoelt het gebed niet. Nee - het gaat hier om het woord van de Heere Jezus in het Evangelie, wanneer Hij zegt: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf,  neme zijn kruis op en volge Mij (Matt. 16:24). Dan bedoelt de Heere Jezus hier niet dat iedereen weleens wat voor de kiezen krijgt, en het vervolgens een kwestie van doorbijten is. Nee! Het gaat niet om iets wat ons op zeker ogenblik overkomt, of wordt opgelegd, maar om iets dat wij op ons moeten nemen, wanneer we Hem gaan dienen en volgen. Het gaat om iets wat alleen de discipel eigen is. Uiteraard overkomt een discipel ook het ‘gewone' leed en blijft hem of haar verdriet en gemis niet bespaard, maar dat is niet het kruis waar de Heere Jezus - en het gebed - op doelt. Het kruis opnemen is de gevolgen dragen van de navolging. Dat kan vervolging zijn (denk aan de vervolgde broeders en zusters), dat kan smaad en laster zijn, kwaad gerust, onbegrip. En dat onbegrip hoeft nog iets alleen van de kant van de wereld te komen; je kunt je immers ook in kerk en gemeente soms een vreemdeling voelen. Mensen kijken je meewarig aan, of praten op een vervelende wijze over je omdat je meent God in een bepaalde weg te moeten dienen.

En toch ... mag dat blijmoedig gedragen worden. Zo bidden wij,   met het oog op onze kinderen. En, weer vraag ik: leren we dit aan onze kinderen? Dat het volgen van de Heere Jezus gevolgen heeft? Het is zo opvallend dat het kruis wat verdwenen lijkt te zijn in onze westerse geloofsbeleving. We hebben een kruisloos Evangelie gekregen. Het snijdt zo weinig in ons leven, het kost haast niets. Maar waar is dat gekruisigde leven gebleven? Kruisdragen betekent volgens Paulus alles schade en drek te achten vanwege de uitnemendheid van Christus. Leren we dat aan onze kinderen? Wij eten zo vaak van twee (of meer) walletjes. En, wij bidden ons liever onder het kruis vandaan. ‘Heere, neem dit alstUblieft van me af - ik red dit niet!' Beter kunnen we vragen om kracht om te kunnen blijven dragen. Achter Hem aan. Datzelfde (opvallend) wordt ook in het gebed rond de avondmaalsbediening gebeden: Schenk ons Uw genade dat wij getroost ons kruis op ons nemen, onszelf verloochenen, onze Heiland belijden en in alle droefheid met opgeheven hoofd onze Heere Jezus Christus uit de hemel te verwachten...' Kortom: het kruis is niet iets wat ons in meer of mindere mate overkomen kan, maar het is de navolging van Hem een gegeven. Beseffen we dat?

(...)

Vrólijk dragen. Verstaan we dit woord goed. Vrolijk kan betekenen ‘met vreugde', of worden opgevat als ‘vromelijk', en dan betekent het: dapper. Beide betekenissen lijken mij hier van belang. Met vreugde, en dapper ... Net als de Heere Jezus, de Overste Leidsman en Voleinder van het geloof. Vanwege de vreugde die Hem was voorgesteld, heeft Hij kruis en schande veracht. Zo achter Hem aan te gaan; wij en onze kinderen. Dan gaat het soms door duizend doden heen! Maar ... op de hemel aan. Hier beneden is het immers niet. ‘Leer mij dagelijks, leer mij duizendwerven, in Uw kruisdood mee gekruisigd, sterven en herboren, opgestaan ... achter U ten hemel gaan!'

Dit leven, dat toch niet anders is dan een voortdurend sterven, getroost verlaten ... en op de jongste dag voor de rechterstoel van Christus, Uw Zoon, mogen verschijnen. Opeens ... wordt er een lijn getrokken van het doopvont naar de rechterstoel van Christus. Zijn we ons van die ernst (voldoende) bewust? Buitengewoon ingrijpend immers! Daar gaat het heen. Let op de formulering: de rechterstoel van Christus (!); Hij Die als Redder kwam, zal als Rechter oordelen. Wat als je Zijn bloed onrein hebt geacht? Wat wanneer we zonder blikken en blozen van allerlei dingen aan Hem beloofden waar we vervolgens geen werk van maakten?! Klagen onze kinderen ons straks aan? Moeder, vader ... waarom hebt u ons daar niet meer en vaker over verteld?

(...)

Puntsgewijs, noodzakelijkerwijs een paar korte opmerkingen over het gebed na de doopbediening.

  • Voor velen is het dankgebed een bron van moeite geweest (of nog). Gaat het niet te hoog, of te ver. Al onze zonden vergeven hebt, en tot leden van Uw eniggeboren Zoon aangenomen. Is dat nu allemaal (ineens) voor elkaar? Letten we op de geweldige spanning die op het doopformulier staat. Het begon in het aardedonker: kinderen van de toorn, onder de vloek van God vanwege onze zonden. Toen werd de Drie-enige God uitgebracht; een veel-belovende God, Vader - Zoon - en Heilige Geest. Alles wat nodig is om zalig te worden, is toegezegd - en meer dan dat! Toen kwam in het formulier de verantwoordelijkheid van de ouders. En ... wanneer de ouders nu op de drie gestelde doopvragen oprecht (!) en eerlijk (!) ja hebben gezegd, dan is het dankgebed niet minder dan een logisch vervolg op alles wat geweest is. Verstaan we dat? Wie niet in geloof ten doop houdt, kan beter wegblijven. Dat klinkt vreselijk hard, maar dat is het juist niet. En dat is de worsteling waar we de ouders in te brengen hebben.
  • De HEERE beloofde toch al onze zonden te vergeven? Het geloof legt daar toch de hand op? Wanneer we zeggen dat het gebed te hoog of te ver gaat, ligt de schuld niet bij het gebed, of bij God - maar bij ons. Dan moet niet het gebed of God zich bekeren, maar wij moeten ons bekeren en geloven in wat Hij zegt. ‘Een mens heeft zo veel als hij gelooft' (Luther).
  • Het is huiveringwekkend wat wij soms durven zeggen; het klinkt uiterst rechtzinnig. We zeggen dat het toch niet zomaar gaat, het moet immers alles gegeven worden enzovoorts. Wat zegt de Heere (in het Evangelie): gij hebt niet gewild!
  • Het dankgebed dat wij kennen, is overgenomen uit het formulier van 1566. Het verkorte formulier heeft echter het gebed iets anders geformuleerd. En wellicht had het in dit geval wel beter geweest om niet terug te grijpen op het origineel, maar de verkorte versie uit 1578 te gebruiken. Uit die versie wordt namelijk duidelijk dat de gemeente dankt voor Gods beloften en vraagt om de vervulling daarvan. Een zin uit dat gebed: ‘Wij bidden U of U dit kind wilt wassen met het bloed en de Geest van Jezus Christus, dat is, wil hem zijn zonden ter wille van de bloedstorting van Christus niet toerekenen, en door Uw Heilige Geest wederbaren en vernieuwen, opdat het christelijk en godzalig opgevoed worde ...' Dan wordt de Heilige Doop precies wat ze behoort te zijn: een pleitgrond!

Ik leg de namen van mijn

kinderen in Uw handen.

 Graveer Gij ze daarin met

onuitwisbaar schrift.

 Dat niets of niemand ze meer

 ooit daaruit kan branden,

 ook niet als satan ze straks

 als de tarwe zift.

 

 Houdt Gij mijn kinderen vast,

 als ik ze los moet laten

 en laat altijd Uw kracht

 boven hun zwakheid staan.

 Gij weet hoe mateloos

 de wereld hen zal haten,

 als zij niet in het schema van

 de wereld zullen gaan.

 

 Ik vraag U niet mijn kinderen

 elk verdriet te sparen,

 maar wees Gij wel hun troost,

 als ze eenzaam zijn en bang.

 Wil om Uws naams wil hen

 in Uw verbond bewaren,

 en laat ze nooit van U vervreemden,

 nooit, hun leven lang!

 

 Ik leg de namen van mijn

 kinderen in Uw handen.

 Amen.

Zingen: Lofzang van Zacharias: 2

Dankgebed