Tekst wijkavond 17 september 2015

Wijkavond donderdag 17 september 2015 - Katwijk aan Zee - Ik ben gedoopt (I)

 

Formulier voor de kinderdoop

Heidelberg 1566

 

 

Huidig (hertaald) doopformulier

 

Formulier om de heilige doop uit te richten

 

 

Onze Hulp staat in de Naam des HEEREN Die hemel en aarde geschapen heeft. Amen (Ps. 121:2)

 

 

Dewijl onze Heere Jezus Christus zegt dat wij in Gods Rijk niet mogen komen (Joh. 3:3), tenzij dat wij opnieuw geboren worden, zo geeft Hij ons daarmee een zeker bewijs (anzeigung) dat onze natuur gans/helemaal verkeerd en vermaledijd is, en vermaant ons daarmee, dat wij ons voor God verootmoedigen, en aan onszelf een mishagen moeten hebben, ons zo (voor)bereidende Zijn genade te begeren, opdat door welke onze oude natuur afgewassen en begraven worde. Want wij kunnen Gods genade niet deelachtig zijn, voordat al het vertrouwen op ons eigen vermogen en wijsheid en gerechtigheid uit ons hart weggenomen is, ja ook, dat wij alles wat in ons is, helemaal verdoemen.

Nadat Christus onze ellendigheid zo voor ogen heeft gesteld, zo troost Hij ons wederom door Zijn barmhartigheid door ons en onze kinderen te beloven dat Hij al onze zonden afwast, dat is, onze zonden vanwege Zijn bloedvergieten niet toe te rekenen en onze verdorven natuur wederom tot Zijn evenbeeld door Zijn Heilige Geest te vernieuwen.

Omdat Hij op deze beloften ons zwakke geloof wil bevestigen én aan ons (eigen) lichaam verzegelen, heeft Hij bevolen dat wij in de Naam van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest gedoopt zouden worden (Matt. 28:19)

Formulier om de heilige doop te bedienen aan de kleine kinderen van de gelovigen

 

 

 

 

 

 

De hoofdsom van de leer van de heilige doop omvat de volgende drie delen. In de eerste plaats zijn wij met onze kinderen in zonden ontvangen en geboren. Daarom zijn wij mensen op wie de toorn van God rust, zodat wij in Zijn rijk niet kunnen komen, tenzij wij opnieuw geboren worden (Ef. 2:3; Joh. 3:3). Dat leert ons de ondergang in en de besprenkeling met het water (Rom. 6:4). Daardoor wordt ons de onreinheid van onze ziel aangewezen. Zo worden wij opgeroepen om een afkeer van onze zonden te hebben, ons voor God te verootmoedigen en zaligheid buiten onszelf te zoeken.

In de tweede plaats betuigt en verzegelt ons de heilige doop de afwassing van de zonden door Jezus Christus (Hand. 22:16).

Daarom worden wij gedoopt in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest (Matt. 28:19)

Inleiding - deel 1 - ons Doopsformulier

 

  • Ik ben gedoopt - het allerbelangrijkst wat we over onszelf en onze kinderen kunnen zeggen.
  • Herkomst van het formulier - auteurs: Zacharias Ursinus en Caspar Olevianus; vertaald door Petrus Datheen en door hem ingevoerd (1566); in 1574 is het formulier op last van de Synode van Dordrecht verkort. Het formulier ademt de geest van de Reformatie; parallel met andere formulieren voor wat betreft indeling in de drie stukken (ellende, verlossing en dankbaarheid).
  • Inzet van het formulier: niet onze verkorenheid, maar onze verlorenheid. Wie zegt dit? Christus! Heere, Uw Woord is de waarheid. Gods verbond komt tot verloren mensen.
  • Hoogspanning: ons lieve kind een kind op wie de toorn van God rust. Psalm 51 en Johannes 3. Let erop: steeds schrijft het formulier: wíj en onze kinderen ...
  • Het oorspronkelijke formulier toont helder aan dat God de genade ‘voorbereidt', plaats maakt voor Zichzelf en Zijn beloften. Voorbereidende genade. Toen vluchtte ik tot Jezus! O God, wees mij zondaar genadig! (Luk. 18:13)

Vragen - ter overdenking/bespreking

  • Een kleine ‘test': wie van ons heeft de belijdenisplaat in de slaapkamer hangen? Waarschijnlijk velen onder ons. Maar: wie van ons heeft zijn/haar doopkaart in de slaapkamer hangen? Wat zegt dit? (We zijn ‘evangelischer dan we denken!)
  • Stelling: Adam niet geleerd, Christus niet begeerd.
  • Hoe vaak/weinig denken wij aan onze heilige doop? Welke plaats neemt ze concreet in in uw gebedsleven? En - wanneer u (klein)kinderen hebt: hoe functioneren de verbondsbeloften in uw gebeden voor uw (klein)kinderen?
  • Om thuis verder te lezen/studeren: artikel 34 NGB.
  • Een prachtig boek, inhoudelijk rijk én gericht op het praktische nut van de kinderdoop: Matthew Henry, Het teken van de doop. De betekenis en bediening van de kinderdoop (De Banier, 2010).
  • Hebt u vragen over de heilige doop, die u liever niet plenair aan de orde stelt? Of zaken, waarover u graag op de volgende wijkavonden meer wilt horen? Mail me dan gerust: ch.hogendoorn@tele2.nl

Wijkavond 1 (17 september 2015 - Het Anker, Katwijk)

Zingen: Psalm 51:3

Lezen: Psalm 51: 1-8; Johannes 3: 1-7

 

Inleiding

In een inmiddels oud geworden boekje, eenvoudigweg getiteld Onze doopsformulieren (1941) schrijft ds. P.A.A. Klüsener dat het doopsformulier weliswaar het meest gelezen, maar tegelijkertijd ook het minst begrepen formulier is.  Zou dat waar zijn? Inderdaad - hoe dikwijls lazen wij het formulier al niet? Talloze doopbedieningen hebben zich inmiddels in Katwijk voltrokken. En steeds weer werd het formulier naar goede gewoonte daarbij gelezen. Op de doopzitting was en is (mogen we hopen!) het doopsformulier ook steeds grondig doorgenomen. Zou het kunnen zijn dat we woorden eindeloos vaak hebben gehoord, maar nooit werkelijk begrepen hebben? Of maar voor de helft?

Het formulier schenkt klare wijn over de betekenis van de heilige doop. Dáár ligt het punt niet. Echter - de (kerk)geschiedenis laat zien dat de heilige doop zo vaak is misverstaan, naar de linkerzijde en naar de rechterzijde. In sommige kringen is het de gewoonte (geworden) om bij de doopbediening ook nog een toespraak te houden. Sommige van die toespraken laten meteen zien en horen dat men van de inhoud van het formulier weinig tot niets begrepen heeft; soms is de inhoud van de toespraak zelfs in regelrechte tegenspraak met de inhoud van het formulier (...)

Volgens dr. J. Koopmans, die een heel mooi boekje over de heilige doop heeft achtergelaten is het doopsformulier ‘de beste preek' over de heilige doop die er ooit gehouden is. Ervaren wij dat ook zo?

Er is reden genoeg om ons, aan de hand van het formulier onder te dompelen in de rijke betekenis van de heilige doop. Het komt er immers op aan dat u, jij en ik onze doop leren verstaan. Met name Luther heeft ons gewezen op de levenslange betekenis van de heilige doop. Je doop gaat een leven lang mee. Het doopwater droogt nooit op. Ook niet van (uw) kinderen die andere wegen gaan. Melanchton voegde daaraan toe dat de heilige doop ons hele leven omvat, in de zin en betekenis dat met de bediening van de heilige doop alles over ons leven is gezegd. Weer vraag ik: ervaren we dat (ook) zo? Ik bén gedoopt ...

Je kunt zeggen: ik ben moeder, of: ik ben schipper. Ik ben leidinggevende in een vrij groot bedrijf, of: ik ben zuster in een ziekenhuis. Ik ben juf. Prima! Is daarmee alles over u gezegd? Hopelijk niet! Proef eens wat het betekent wanneer je zegt: Ik ben gedoopt! Ik ben gedoopt - dat wast al het water van de zee nooit af.

Voelen we aan hoe diep dit gaat? Ik ben dominee, maar dat is het belangrijkste niet. Ik ben gedóópt.  We leven in een hijgerige en jachtige wereld. Je moet presteren, goede resultaten behalen. Onze kinderen worden voortdurend getoetst. Resultaten, scores enzovoorts. Dat lijkt het allerbelangrijkste te zijn. Maar, is dat ook het allerbelangrijkste? Kan ik pas blij zijn wanneer mijn kind de universiteit met vlag en wimpel haalt? Is het belangrijk dat onze kinderen (later) kunnen zeggen: ik ben directeur. Ik ben doctorandus of nog wat anders? Welnee, in het licht van de eeuwigheid is dat volstrekt niet belangrijk.

Ik ben gedoopt. Mijn kind is gedoopt. Dat doet ertoe. Dat doet er alles toe. Wat dan precies? Laten we dat proberen te ontdekken in de komende maanden.

Eerst zeg ik - kort- iets over het doopsformulier zelf. Waar komt het vandaan? Wie schreef het? Hoe is het bij ons achter in de Bijbel gekomen?

Herkomst

We kunnen daar vrij kort over zijn. Niet dat hierover niet veel te zeggen zou zijn, dat is er wel, maar dan zouden we nog wel even bezig zijn. Punt is namelijk dat bijvoorbeeld nog steeds niet bekend is wie de auteur van het formulier is geweest. Uiteraard zijn er gissingen genoeg gedaan. Veel onderzoekers denken aan Olevianus (dezelfde als van de HC), maar nog meer onderzoekers menen dat Petrus Datheen de auteur is geweest (dezelfde als van de Psalmberijming). Dat laatste lijkt de beste papieren te hebben, al is het dus zo dat we sinds 1574 een verkort formulier hebben. Je zou het dus als volgt moeten denken: het oorspronkelijke doopsformulier is van de hand van Zacharias Ursinus en Caspar Olevianus (de laatste vooral, vanwege zijn indrukwekkende bijdrage aan de verbondsgedachte - Olevianus heeft ook weer veel ‘geleend' van Calvijn), maar vertaald door Petrus Datheen en meteen met de Psalmberijming ingevoerd in 1566, samen met de formulieren voor het heilig avondmaal, het huwelijk en een aantal liturgische gebeden, maar op de Synode van Dordrecht in 1574 verkort. Daar zou de preses van die synode weer een belangrijke hand in gehad (kunnen) hebben; dat was G. Van der Heyden. Die verkorting was een beslissing van de Synode.[1] In 1586 voegde de provinciale synode nog weer een aantal formulieren toe; dat van de ban, de wederopneming, dat van de bevestiging van dienaren van het Woord en dat van de bevestiging van ouderlingen en diakenen. Op de Synode van Dordrecht in 1618/1619 werd ten slotte het formulier voor de volwassendoop toegevoegd. Daarmee sloot de rij van liturgische formulieren achterin onze Bijbels.

Nu moeten we er één ding nog wel over zeggen: wanneer we zeggen dat Petrus Datheen de auteur van ons doopsformulier is, dan zeggen we het toch niet helemaal goed. Zoals net gesuggereerd gaat het hoogstwaarschijnlijk om het feit dat hij de vertaler is van een doopsformulier dat Ursinus en Olevianus hadden samengesteld. Deze laatste twee kun je dus ook moeilijk de auteurs noemen, omdat zij diverse passages uit andere formulieren hebben overgenomen, hoogstwaarschijnlijk uit liturgieën van Calvijn, a Lasco en Micron. Afijn - het is duidelijk: het doopsformulier is in feite door de Reformatie geschreven! Het is indrukwekkend wanneer je ziet dat de Reformatie in Straatsburg, Zürich, Geneve en Londen dezelfde stempel draagt. Gods hand in de geschiedenis!

Dat maakt het makkelijk om te zien hoe onze liturgische formulieren dezelfde geest ademen. Vaak ook op een zelfde manier zijn opgezet en inhoudelijk zo op elkaar aansluiten. Vergelijk bijvoorbeeld het punt dat de HC is ingedeeld in de drie stukken: ellende, verlossing en dankbaarheid. Die opbouw (zonder dat dit expliciet wordt genoemd) kennen onze formulieren van doop en avondmaal ook. Zelfs het klassieke huwelijksformulier begint met de ‘ellende': ‘Overmits de gehuwden gewoonlijk velerhande tegenspoed en kruis vanwege de zonde overkomt ...'

Welnu - laatste punt voor wat het formulier betreft: het formulier van de heilige doop bestaat uit en zogenaamd didactisch deel, dat wil zeggen: het onderwijs, en een zogenaamd liturgisch deel, dat wil zeggen: de gebeden rond de doopbediening, de vragen die aan de doopouders worden gesteld, en de bediening van de heilige doop (doopformule). In de verkorting sinds 1574 (en dus het formulier dat wij heden ten dage in hertaling gebruiken) is met name het didactische deel (dus: het eerste gedeelte van het formulier) ingekort. Dat zullen we in de komende tijd ook nog wel zien, wanneer we steeds de twee versies naast elkaar leggen en vergelijken.

Inzet

Laten we starten! Wanneer u even meekijkt in het schema, ziet u bij het allereerste begin al een vrij groot verschil. De oorspronkelijke versie heeft niet de uitgebreide formulering, die ons gewoon is geworden: formulier om de heilige doop te bedienen aan de kleine kinderen van de gelovigen[2], maar heet simpelweg: formulier om de heilige doop te bedienen[3]. Heel treffend is dat het oorspronkelijke formulier Psalm 121 als uitgangspunt neemt[4]. Je vraagt je even af waarom men dat toch heeft weggehaald ...

En dan is er vervolgens toch een vrij groot verschil qua inzet tussen het oorspronkelijke en het verkorte, en dus huidige formulier. Wij weten niet beter of het formulier begint vrij zakelijk met: de hoofdsom van de leer van de heilige doop omvat de volgende drie delen. Je zou zeggen: het begint nogal dogmatisch, haast ook onpersoonlijk. De leer bevat ...!

Vergelijk het eens met het origineel: die begint letterlijk en figuurlijk met de Heere Jezus! Omdat de Heere Jezus gezegd heeft dat wij in Gods Rijk niet kunnen komen, met een verwijzing naar Joh. 3:3, waar de Heere Jezus dit zegt tegen Nicodemus. Natuurlijk staat die verwijzing er in het huidige formulier ook, maar het is toch belangrijk om dit goed te zien. U weet ongetwijfeld hoe ‘lastig' het begin van het doopsformulier voor velen is. Op doopzittingen is deze eerste alinea vaak de grootste hobbel die je nemen moet. Zeg eerlijk: je kind in zonden ontvangen en geboren; een kind op wie de toorn van God rust. Is dat werkelijk zo? Dat zie je aan zo'n kleine lieveling toch niet af? ‘Wat heeft ons kind dan voor kwaads gedaan, dominee?' Soms stokt het gesprek hier meteen al. Wat een ellende! Maar, wie zegt dit nu? Zegt de kerk dit? Zegt die ene  zware (wijk)gemeente van Katwijk dit, of de broeders van die wijkgemeente? Nee! Het oorspronkelijke formulier laat in de eerste zin zo duidelijk uitkomen dat dit oordeel ons door  (let op!) ‘onze Heere Jezus Christus' (de namen voluit!) wordt aangezegd. Hij kan het weten. Hij zál het ook wel weten.  In de heilige doop geeft Chrístus ons onderricht. Dat lijkt me fundamenteel belangrijk om te (blijven) bedenken. Niet wij zeggen een aantal (goede en/of ware) dingen over de heilige doop; niet wij leggen de heilige doop elkaar uit, het gaat evenmin om onze kijk of visie op de heilige doop, maar in de heilige doop onderwijst en leert Christus ons. De grote Christus, het eeuwige Licht (Avondzang, vs. 1). Zien en beleven wij die dingen ook zo? De Heere Jezus is de grootste Profeet en Leraar. Door het Woord en de Woordbediening (prediking) onderwijst Hij ons. Dat is een, maar niet het enige. Hij onderwijst ons ook door de sacramenten. De zichtbare prediking! Zitten we er ook steeds zo voor? Met de vraag: Heere, wat wilt U in de heilige doop aan míj en mijn kinderen leren?

We staan met de heilige doop van onze kinderen niet voor de kerkenraad, en ook niet voor de predikant (naar keuze), maar voor de Heere Christus. En Hij wil, voorafgaande aan de doopbediening een aantal dingen aan ons kwijt. Over onze afkomst; waar wij van weg komen. Hoe onze stand en staat is. En die is dus, in een woord, ellendig.

Dewijl onze Heere Jezus Christus zegt dat wij in Gods Rijk niet mogen komen, dat zegt Hij! De Getrouwe Getuige, de Eerstgeborene uit de doden, en de Overste van de koningen der aarde. Dat zegt Hij Die de zeven sterren in Zijn rechterhand heeft. Lieve broeders en zusters, willen wij het van Hém aannemen? Deze waarheid over onszelf en over onze kinderen? Dat we - zoals we geboren zijn en worden, ten dode zijn opgeschreven. Hij zegt het! En wat is dan onze reactie? In Johannes 6 verhaalt de evangelist een onthutsend gebeuren. Na onderwijs van de Heere Jezus zijn er veel van Zijn discipelen (niet de schare!) die zeggen: Deze rede is hard, wie kan dezelve horen? (Joh. 6:60) Het gevolg is dat veel (!) van Zijn discipelen terug gaan, en niet meer met Hem wensen te wandelen (Joh. 6:66).

Wij en onze kinderen zijn in zonde ontvangen en geboren. Daarom zijn wij mensen op wie de toorn van God rust. Deze rede is hard? O ja, is dat werkelijk waar? Is deze rede hard, of is ons hart ontzettend hard?

Er zijn twee reacties mogelijk -zo leren we uit Johannes 6. Terug gaan, en niet meer met Hem wandelen. Zeggen dus dat Hij ongelijk heeft. Beweren dat Hij mis zit, en dat Hij het verkeerd ziet. Dat doen, schrijft de evangelist Johannes, veel van Zijn discipelen. Lange tijd waren ze toch bij Hem geweest, en gebleven, maar ze haken toch af.

En dan stelt de Heere Jezus de overblijvers - de discipelen die niet weggaan, een vraag: ‘Wilt u ook niet weggaan?' (Joh. 6:67) En die vraag komt ook tot ons, vanavond. ‘Ergert u dit?' (Joh. 6:61) Willen we niet horen hoe God over ons denkt, en - waar we vanwege onze zonde terecht zijn gekomen? Stoppen we onze vingers in onze oren, net als kinderen kunnen doen?

Realiseren we welke hoogspanning hier heerst? Je staat bij het doopvont, met het kind in de armen. Dat lieve kind, over wie Christus zegt: het kan niet naar binnen, want het kind is in zonden ontvangen en geboren. Let er trouwens op dat in het formulier steeds de volgorde is: wij en onze kinderen. We zijn er allemaal met huid en haar bij betrokken. Maar ... dat je dan niet wegloopt onder de ogen van Christus vandaan, maar zegt; ‘Heere, tot Wie zullen we heengaan? U hebt de woorden van het eeuwige leven. En wij hebben geloofd en bekend dat U de Christus bent, de Zoon van de levende God!' (Joh. 6:68-69)

Samengevat - het formulier begint met onze verlorenheid. W. van 't Spijker zegt dat heel treffend: het formulier begint niet met onze verkorenheid (laat daarom niemand zeggen: ik ben toch gedoopt ..! met andere woorden: wie doet mij nog wat!?), maar ze start met onze verlorenheid. Gods verbond komt tot verloren mensen, en wie de inzet van het doopsformulier vergeet, kan de schade nooit meer inhalen. Maar ... de diepe les die we vanavond trekken is dat die verlorenheid ons niet wordt aangezegd door wie dan ook maar, maar door Christus. Hij verklaart ons dat de zaak van ons en onze kinderen er van nature hopeloos voorstaat. Wanneer het zo was dat iemand anders - wie dan ook maar - ons dit aangezegde, zouden we licht kunnen zeggen: Waar bemoeit die ander zich mee? Of: Laat hij of zij zichzelf ook eens nakijken? Maar wie zou dat tegen Hem durven zeggen? Wie durft er tegen Hem in te gaan ? Laten we vanaf vanavond met elkaar onthouden dat wanneer het formulier wordt voorgelezen Christus Zelf aan het woord is en tot ons spreekt; we horen Hém spreken. Dewijl onze Heere Jezus Christus zegt dat wij in Gods Rijk niet mogen komen (...). Heere, Uw Woord is de waarheid!

‘Wij worden nu niet geboren, zoals Adam was toen hij in het begin geschapen werd' (Calvijn). U zou Genesis 1 eens moeten vergelijken met Genesis 5. In Genesis 1:27 staat dat God de mens schiep naar Zijn beeld en gelijkenis. In Genesis 5:3 staat echter zo aangrijpend dat Adam een zoon voortbrengt naar zijn gelijkenis en naar zijn (even)beeld. Horen we het grote verschil? Naar Gods beeld en gelijkenis geschapen, zo was het! En nu; onze kinderen dragen ons beeld en onze gelijkenis! We dragen hun een erfenis aan schuld en zonde over. Is dat niet om tranen van in de ogen krijgen?

Lezen we nu verder. Eerst maar weer even in het oorspronkelijke formulier. Dewijl onze Heere Jezus Christus zegt dat wij in Gods Rijk niet mogen komen, tenzij wij opnieuw geboren worden, zo geeft Hij ons daarmee een zeker bewijs dat onze natuur helemaal verkeerd en vermaledijd is en vermaant ons daarmee dat wij ons voor God verootmoedigen en aan onszelf een mishagen moeten hebben, ons zo (voor)bereidende Zijn genade te begeren ...

Ik acht dat laatste kostelijk. Waarom zegt de Heere Jezus ons deze waarheid aan? Waarom wijst Hij zo indringend op onze de verlorenheid en schuld? Om ons te plagen of te bedroeven? Integendeel - Hij wil ons voorbereiden zodat wij Zijn genade gaan begeren. Hij zegt ons - om zo te zeggen, genadig de waarheid aan. Hij gaat plaats maken voor Zichzelf, ruimte scheppen voor Zijn genade. Zeg eerlijk: wie roept om de dokter? Is dat niet degene die ziek is? Wie verlangt er naar brood? Is dat niet degene die honger heeft? Ik ga er nu niet verder in op het punt van hoe diep die ellendekennis dan wel moet zijn, en hoe diep we de dingen dan (kennelijk) moeten doorleven. Hoeveel honger moet er zijn? Enzovoort. Het gevaar is zo groot dat we met deze vrome vragen de Heere Jezus van het lijf (lees: van de ziel) houden. Wie nood heeft, komt! Het gaat er niet om dat we pas ellendig zijn wanneer we dat (zelf) voelen. We zijn ellendig, omdat we het zijn. Wie zegt dat? HIJ!

Ons voorbereidende Zijn genade te begeren. Noem het maar: voorbereidende genade wanneer Hij er eerst het mes in zet. Denk daarbij niet teveel in stadia of stations: eerst dit, en dan dat. Liever zeggen we: de HEERE slaat het net steeds strakker om ons heen. Laat ons steeds minder ruimte. Drijft ons steeds verder de hoek in. Nee, niet de hoek in waar de klappen vallen. Immers, de klappen vanwege onze zonden heeft HIJ gehad! De vloek vanwege onze schuld heeft Hij gedragen. Maar ... er komt wel spanning op de liefdekoorden te staan. Tot je geen andere uitweg meer ziet. Toen vluchtte ik tot Jezus ..!

Lees nog even verder in het origineel. ‘Wij kunnen Gods genade niet deelachtig zijn, voordat wij al ons vertrouwen op ons eigen vermogen en wijsheid en gerechtigheid uit ons hart weggenomen is, ja ook, dat wij alles wat in ons is, helemaal verdoemen.' Genade moet genade zijn. Het is niet: een beetje van Hem en een beetje van ons. Zelfs niet: een klein beetje van ons en het grootste deel van Hem. Nee - Hij alles!

Wat vertrouwen wij nog veel op onszelf! Herkent u dat? We zijn - ook na ontvangen genade, nog zo druk in de weer met onszelf. En dat moet weg. Zal dat helemaal lukken? Nee, op deze aarde niet. Er blijft zo veel kleven en plakken in ons leven. Het zit allemaal in de weg. Hem in de weg. Het laatste zinnetje moet u goed verstaan. Alles wat in ons is, verdoemen. Er staat niet dat we onszelf moeten verdoemen. Dat zou geen Bijbelse gedachte zijn. Nee, maar een afkeer van onze zonden. Een hartgrondige afkeer. Je kunt in feite ook zeggen dat het een het ander uitlegt. Dus, zoals de hertaling stelt: een afkeer van onze zonden te hebben (en) ons voor God te verootmoedigen, dat zijn in feite de twee zijden van de ene medaille. Wie zichzelf ziet in het licht van Gods Woord, die ziet zijn of haar schuld en zonden onder ogen. Krijgt daar een hekel aan, zoals Paulus. Ik, ellendig mens! En het gevolg daarvan is dat die mens zich verootmoedigt. Zich klein maakt voor God. Het mooiste voorbeeld in de Bijbel daarvan is toch de tollenaar in de tempel. Hij durft zijn ogen niet op te slaan naar de hemel. Blijft ook helemaal achterin de tempel staan. Maar hoor: O God, wees mij zondaar genadig! (Luk. 18:13) Zalig wie zo bij het doopvont staat ....

Dankgebed

Ps. 71:4



[1] Punt was dat diverse predikanten het formulier te lang vonden, en het op eigen houtje gingen ‘verkorten'. Dat individualistische optreden van de predikanten vond de Synode niet raadzaam. Vandaar dat ze besloot zelf een verkort formulier in te voeren.

[2] Waarschijnlijk is deze formulering pas sinds 1611 is gebruik. Pas toen er een formulier voor de volwassendoop kwam, is deze formulering in zwang gekomen om de twee formulieren van elkaar te kunnen onderscheiden. Deze formulering heeft nadien altijd discussie opgeleverd, van ‘links' tot ‘rechts'.

[3] Oorspronkelijk: Forme om den heyligen doop uyt te rechten.

[4] Oorspronkelijk: Onse hulpe stae in den Naeme des HEEREN, die Hemel en Eerde geschapen heeft. Amen.