Tekst wijkavond 12 november 2015

Wijkavond donderdag 12 november 2015 - Katwijk aan Zee - Ik ben gedoopt (III)

 

Formulier voor de kinderdoop

Heidelberg 1566

Huidig (hertaald) doopformulier

(...)

Ten derden, als wij in de Naam van de Heilige Geest gedoopt worden, wordt ons beloofd dat de Heilige Geest ons en onze kinderen (tot een) Leraar en Trooster (tot) in eeuwigheid zal zijn (Joh. 16:7 en 13), ons tot waarachtige lidmaten van het Lichaam van Christus maakt (Rom. 8:5) opdat wij aan Christus en al Zijn goederen (samen mét alle lidmaten van de christelijke kerk) gemeenschap zullen hebben. En ook dat onze zonden (tot) in eeuwigheid niet meer gedacht zullen worden (Jer. 31:34), ook de zonden en de zwakheid, die nog in ons overblijft, hoe langer hoe meer gedood (Rom. 6:11), (Hij, d.i. de Heilige Geest) in ons een nieuw leven begint en (uit)eindelijk in de zalige opstanding (waar dit vlees aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal zijn) volkomen geopenbaard wordt (Fil. 3:21; 1 Kor. 15:49).

Maar nadien in alle verbonden beide delen zich met elkaar verbinden (zich tot elkaar verplichten - Duitse tekst), zo beloven wíj óók (aan) God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, dat wij door Zijn genade Hem alleen voor onze enige, waarachtige en levende God houden (Gen. 17:1) en bekennen willen, Hem alleen in onze nood aanroepen (Ps. 50:14) als gehoorzame kinderen leven, zoals deze nieuwe geboorte van ons eist, welke in deze twee stukken gelegen is. Eerstelijk dat wij waarachtig berouw en leedwezen over onze zonden hebben (Matt. 3:2), ons vernuft en allerhande lusten verloochenen (2 Kor. 10:5) en aan Gods wil onderwerpen, en alle zonden van harte haten en vlieden. Daarna ook dat wij beginnen (om) lust (Rom. 6:3) en liefde te hebben om naar/overeenkomstig Gods Woord in alle heiligheid en gerechtigheid te leven (Luk. 1:75). En als wij somtijds (unterweilen / ondertussen - Duitse tekst) uit zwakheid in zonden vallen, zo moeten wij nochtans daarin niet blijven liggen, nog vertwijfelen of door enig ander middel dan alleen door Christus vergeving van de zonden zoeken. Maar altijd (worden wij) door onze doop vermaand om van de zonden af te staan (Rom. 6:4) en vast te vertrouwen dat dezelve  (vanwege het bloedvergieten van Christus) voor God nimmermeer gedacht zal worden (Jer. 31:34), overmits de heilige doop ons een ongetwijfeld getuigenis is dat wij met God een eeuwig verbond hebben en in de levende fontein van de eeuwige barmhartigheid van de Vader, en van het allerheiligste lijden en sterven van Jezus Christus (Rom. 6:4) door de kracht van de Heilige Geest gedoopt zijn (1 Kor. 6:11; Matt. 28:19)

(...)

(...)

Als wij gedoopt worden in de Naam van de Heilige Geest, verzekert ons de Heilige Geest door dit heilig sacrament, dat Hij in ons wonen en ons tot leden van Christus heiligen wil. Zo wil Hij ons schenken wat wij in Christus hebben, namelijk de afwassing van onze zonde en de dagelijkse vernieuwing van ons leven, totdat wij uiteindelijk in de gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven geheel rein een plaats zullen ontvangen (Ef. 5:27).

In de derde plaats, omdat elk verbond twee kanten in zich heeft, worden wij door God door middel van de doop opgeroepen en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid. Dit betekent dat wij innig verbonden zijn met deze enige God - Vader, Zoon en Heilige Geest -, Hem vertrouwen en liefhebben met heel ons hart, met heel onze ziel, in heen ons denken en met al onze krachten (Matt. 22:37). Verder, dat wij ons van de wereld afkeren, onze oude natuur doden en in een nieuw godvrezend leven wandelen (Tit. 2:12). En wanneer wij soms uit zwakheid in zonden vallen, moeten wij aan Gods genade niet twijfelen, en ook niet in de zonde blijven liggen. De doop is immers een zegel en ontwijfelbaar getuigenis dat wij een eeuwig verbond der genade met God hebben.

(...)

Hieronder de achterzijde van een doopkaart uit 1942 (30 augustus 1942 Oud-Beijerland) - op de voorkant staan de gegevens van de dopeling en de datum van de bediening van de Heilige Doop. Op de achterzijde staat de ‘vermaning' van de predikant.

Wijkavond 3 (12 november 2015 - Het Anker, Katwijk)

Zingen: Psalm 103: 9

Lezen: Genesis 15:5-21

Inleiding

De vorige keer kwamen we niet meer toe aan de overdenking van de vraag wat het precies in zich heeft dat wij en onze kinderen mét water worden gedoopt ín de Naam van de Heilige Geest. Dat, én het overwegen wat wij aan de HEERE beloven - want het verbond kent twee delen (twee partijen, die zich jegens elkaar verplichten) zullen we vanavond met elkaar proberen te behandelen. Weer een opmerking vooraf daarbij: wanneer u/jij de linker- met de rechterkolom vergelijkt (ofwel: het oorspronkelijke - links - ten opzichte van het huidig hertaalde formulier - rechts) ziet u in één oogopslag (opnieuw) hoe het oorspronkelijke doopformulier juist ook op deze punten uitvoeriger is dan het huidige, door ons gebruikte formulier. Met name (ik heb dat u en jou een- en andermaal gezegd) is het onderwijzende deel van het formulier behoorlijk ingekort. Dat is wel tekenend; en het lijkt ook voortdurend de trend in kerk en gemeente te zijn! Steeds moet er op het onderwijs beknibbeld worden. Iets (laten) leren is uit den boze, zo lijkt het wel. Wat houd je ten slotte nog over?

(...)

Dat element van leren is ondertussen precies een van de dingen die het oorspronkelijke formulier verbindt met de persoon en het werk van de Heilige Geest. Kijkt u meteen even mee (in de linkse kolom). Wanneer wij in de Naam van de Heilige Geest gedoopt worden, wordt ons beloofd dat de Heilige Geest ons en onze kinderen (tot een) Leraar en Trooster (tot) in eeuwigheid zal zijn. Bedenken wij dat goed! De Heilige Geest, ons beloofd en toegezegd in de heilige doop, is met name dus Leraar van ons en onze kinderen. De inwendige Leermeester, noemde Calvijn de Heilige Geest dan ook. De Leraar in je hart, dichterbij kan een leraar je niet zijn. Hij Die de dingen uitlegt; de Uitlegger - de Een uit duizend!

Ik kom er straks nog wel uitgebreid(er) op terug, maar nu zeg ik graag: laat dit ons (aan)gezegd zijn! Velen vinden preken te moeilijk (en klagen daar ook over, tijdig en ontijdig), en snappen de dingen van de HEERE niet. ‘De kinderen begrijpen er niks van!' - zo  voegde iemand mij eens toe.  Het zal wel, en het zal wel aan ons dominees -in het bijzonder aan mij, liggen. Maar: zou het werkelijk? Ik waag dat ernstig te betwijfelen; ze begrijpen niet alles, dat snap ik, maar dat geldt ook de ouderen. Ik heb teveel reacties van kinderen gehoord om voorlopig nog niet te gaan meehuilen met de wolven in het bos, en ook het niveau van de verkondiging naar beneden te schroeven. En ... daarenboven; de Heilige Geest is de Leraar. De Beste, en ook nog Een Die de zaken op z'n plek legt. In ouder- en kinderharten. Die Leraar is toegezegd! Beloofd. Zo waar ik en mijn kind gedoopt zijn! Wat doet u daarmee? Bogen we al weleens onze knieën, voor we naar Gods huis gingen? Voor u uw kind naar zondagsschool, club of catechisatie stuurde? Waar het Woord werkelijk opengaat, is de Heilige Geest is Zijn element. Daar doet Hij zaken; (juist) ook in kinderharten. Geloven we dat nog? We laten ons zo betoveren door mensen die stellig beweren dat het ‘te moeilijk' zou zijn. Hebt gij dan geen geloof? Ik beweer niet dat kinderen meteen alles begrijpen. Integendeel. Toch, de kinderen - zo is mijn ervaring, voelen dikwijls al wel aan: Hier gebeurt iets! Hier moet ik bij zijn ... Als kind begreep ik ook niet alles, tuurlijk niet. En toch voelde je als kind in de kerk wel aan: deze dominee méént het! Dat is al een grote zaak, want later ga je ontdekken: meer nog dan de dominee méént God het! Hoe vaak staan wij (net als de discipelen) de kinderen in de weg? Hier ligt een grote, grote schuld in de kerk!

(...)

Als u met uw kinderen praat - bedenk, besef dat HIJ als Leraar graag Zijn bijdrage levert, en wel zo ‘dat een ieder het hoort in eigen taal'. Maar, nog eens: geloven wij dat (nog)? Brengen wij onze kinderen dan ook in de werkplaats. Het verbijstert mij bij tijden hoe laconiek wij daarin zijn. ‘Een of twee keer met de kinderen naar de kerk, dominee, ach - is dat nu het punt ...!' Ja, dat denk ik ergens wel. Ook als de kinderen misschien de helft ervan niet begrijpen? Ja, dan nog!

De belofte dat Hij erbij zal zijn, doet ons niks? De Heilige Geest, Die in de heilige doop betuigt dat Hij de zaken uit wil leggen en aan, nee: in, het hart wil leggen - is dat niets?  De wetenschap dat elke dienst de laatste kan zijn, raakt ons (dat) niet? We moeten niet op de voorganger zien; dat is slechts een ‘mannetje uit het stof verrezen' (Calvijn), maar op HEM te zien. Hij belooft machtig te werken. Hebben we er verwachting van? Hoe praten we er met elkaar en onze kinderen over? Híer wordt de rust geschonken; in de Werkplaats van de Heilige Geest slaan de vlammen er soms uit, vallen woorden uit de hemel in ons hart en kan de eeuwigheid in de tijd aanvangen. Of geloven we dat niet (meer)? Pas op, onze kinderen hebben deksels goed in de gaten hoe wíj in de kerk zitten! Verveeld of verlegen? We hebben ons diep te schamen, wanneer we zien op onze vervolgde broeders en zusters. Hoe graag zouden zij eens een dienst ongestoord uit willen zitten. Huiveringwekkend hoe laks wij soms zijn. Als de HEERE nou eens voorbij trekt? Daar waarschuwde Luther eens voor. Het heeft geregend in West-Europa (nou en of!), maar de bui kan overtrekken. Wegtrekken. Om niet en nooit meer terug te komen. Bedenk waarvan gij uitgevallen zijt, en bekeer u! En zo niet, dan kom Ik spoedig bij u en zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen, als u zich niet bekeert (naar Openb. 2:5).

Wonderlijk dus (en m.i. tekenend) dat juist dit element is weggevallen, namelijk dat de Heilige Geest ook (en misschien wel vooral) de Leraar is. Hij wil, nee: Hij belóóft ons en onze kinderen bij te brengen. Hij is ook Trooster, zegt u. Ja, dat staat er inderdaad ook. Maar wat dunkt u: Waarmee troost Hij? Met toch niets anders dan het Evangelie en de inhoud van het Goede Nieuws. En moeten wij dat Evangelie dan niet eerst kennen? Ons zou veel ongemak en verdriet bespaard zijn gebleven wanneer wij wat meer van Gods weg en werk (gewoonweg) wisten! Denk aan Pasen (de vrouwen, de Emmaüsgangers - wist u niet ...?).

Ik kom er zo dus nog weer op terug, want wij hebben in dezen nogal wat aan de HEERE beloofd, juist bij het doopvont ...

(...)

Een tweede opvallende punt is dat het oorspronkelijke formulier sterk de nadruk legt op het feit dat de Heilige Geest ons niet alleen verbindt met en aan Christus, maar ook aan elkaar - zie de formulering in het oorspronkelijke formulier over ‘het maken tot waarachtige lidmaten van het Lichaam van Christus'. En later opnieuw als ze zegt: samen met alle lidmaten van de christelijke kerk/gemeente. Dat is een waardevol element, wat in deze tijd meer/weer aandacht behoeft. We zijn niet alleen op de wereld; ook in de kerk en in de gemeente niet. Hoe vaak leven we niet langs elkaar heen? De een is uiteraard verschillend aan de ander, maar de Geest maakt daar toch één Lichaam van. Hoe zal dat anders straks in de hemel moeten gaan? Verschillende hokjes en richtingen? Ik dacht: een grote schare, rondom dat ene Lam dat geslacht is van voor de grondlegging der wereld.

(...)

We kijken nog eens naar wat het oorspronkelijke formulier zegt over de rijkdom van het in de Naam van de Heilige Geest ingedoopt te zijn. Let even op het slot van die alinea. De Heilige Geest legt de verbinding met Christus en al Zijn (heils)goederen, en ... maakt in ons hart de zekerheid geldig dat onze zonden (tot) in eeuwigheid niet meer gedacht zullen worden. En ook de zwakheid en zonde die overblijft, zal door de kracht van de Heilige Geest hoe langer hoe meer worden gedood, immers het is de Heilige Geest Die in ons een nieuw leven begint ...

Begint er nu niet iets te trillen in ons hart? Om bij het laatst geciteerde te beginnen: de Heilige Geest is het Die een nieuw leven in ons begint. En (uiteraard) in de harten van onze kinderen. Bidden wij daar veel om? En (nogmaals): wij weten toch hoe de Heilige Geest dat bij voorkeur doet? Door de verkondiging van het Woord! Ziet toe, hoe gij hoort! En ziet toe hoe gij naar de kerk gaat!

Tegelijk werkt de Heilige Geest op die zekerheid aan dat onze zonden werkelijk vergeven en vergeten zijn, door de HEERE! Let op de pastorale toonzetting over de zwakheid en zonde die overblijft. Nou en of! Om te huilen, niet? Doet u dat ook weleens wanneer je jezelf weer zo tegenviel? Geen krokodillentranen, maar hete tranen van berouw. Schuld; je geweten klaagt je aan - de Heilige Geest bezorgt het in je hart: schuld! Tegen zo'n goeddoend God! Maar ... hoewel we arme zondaren blijven - tot onze laatste snik, de Heilige Geest zal er zorg voor dragen dat ze hoe langer hoe meer gedood zullen worden. Is dat geen uiterst verblijdende gedachte! Dood aan de zonden! - denk en verlang je weleens. Maar ze blijken dan toch nog weer zo springlevend te zijn. Ik ellendig mens! Maar de Geest, de Machtige en Krachtige Geest zet er (de Kracht van de Allerhoogste!) - naar Zijn belofte, de schouders onder. Hoe langer hoe meer gedood! Vrolijke begrafenissen, wanneer de zonden in je leven dood en begraven worden. En dat werkt de Heilige Geest uit, met het oog op nu en later. Let op het slot: Hij begint een nieuw leven dat uitmondt in de zalige opstanding. Een opstanding waarbij de zonden dood en begraven blijven, we aan Zijn heerlijk lichaam gelijkvormig gemaakt zullen worden. Overwegen we op een stil moment nog eens - liefst met degenen die de HEERE u in dit tijdelijke leven erbij gaf: vrouw/man, kinderen, broers, zussen etc. - wat een geweldige weldaad is er gelegen in de belofte die de Heilige Geest onderstreept in de heilige doop. En de Heilige Geest is geen Leugenaar! Zou Hij iets beloven en niet doen? Iets zeggen en niet waarmaken!

Nee - we moeten eerlijk zeggen; het zit vaak op onszelf vast. En daar gaat het formulier ons dan nu over onderhouden. Nadien in alle verbonden beide delen zich met elkaar verbinden. Naar goed gereformeerd gebruik formuleren we dikwijls zo dat we zeggen: het verbond van God is eenzijdig in haar oorsprong, maar tweezijdig in haar uitwerking. Wat houdt dat in?

Er zit een andere kant aan, betekent dat. God belooft, Hij zegt toe; rijke toezeggingen waarvan je alleen maar kunt duizelen. Maar dan! U - de doopouder. God gaat met u en uw kinderen een verbond aan. Waarbij twee delen zich met elkaar verbinden; in de Duitse tekst is het nóg nadrukkelijker gesteld: zich tot elkaar verplichten. Op de doopzittingen leggen we het in de regel altijd zo uit, aan de hand van Genesis 15:7-21. God maakt met Abram een verbond. Abram moet verschillende dieren in stukken snijden en hun helften tegenover elkaar leggen. Dat was in de tijd van de Oude Oosten een gewoon beeld. Wanneer koningen of vorsten met elkaar in een verbond kwamen, deed men dat ook - met de bedoeling dat de twee ‘verbondspartners' samen tussen de stukken doorliepen. Het aangrijpende van het beeld is, dat ermee geïllustreerd werd dat wanneer één van de twee verbondspartners zich niet aan de gedane beloften hield, het hem evenzo vergaan zou als de dieren die in stukken waren gehakt ...

Wie zich niet aan de gedane beloften houdt, gaat eraan! We spreken met grote voorkeur en instemming over de verbondsbeloften en verbondsgeheimenissen, de verbondszegen en noem maar op. Maar leggen we elkaar ook uit dat er sprake is in de Bijbel van de eis van het verbond, ja zelfs: verbondswraak? God toornt vreselijk over hen, die (nota bene!) in Zijn huis, onder Zijn dienst en bij Zijn Woord zweren (want de belofte die we als doopouders doen bij de heilige doop zijn niet minder dan een eed!) hun kinderen in de wegen van de HEERE te laten wandelen, maar er niets van in de praktijk brengen. We moeten eerlijk zeggen dat de dooppraktijk zoals we die in de voormalige Hervormde Kerk (en nu in de PKN) kennen, de oppervlakkigheid die er heerst ten aanzien van de heilige doop slechts en alleen maar bevorderd heeft. Hier ligt een grote, heel grote schuld van de kerk. Genade is goedkoop geworden.

Ik herinner me uit Oud-Beijerland hoe we meer dan eens met een stel ouders een traject ingingen. We zeiden dan: We willen natuurlijk dolgraag uw kind dopen, maar niet zo en zondermeer. Zoals ds. G. Boer al zei (in zijn tijd): men wil wel het teken, maar niet het leven! Het teken willen we uiteraard graag bedienen, en geven - maar laten we dan ook met elkaar over het leven dat de HEERE daarbij vraagt, spreken. U begrijpt - daar is van de kant van de kerkenraad naar zulke ouders buitengewoon veel tact, wijsheid en liefde (!) nodig. Het wonderlijke is wel (en dat heb ik er persoonlijk van geleerd) dat veel ‘randkerkelijke ouders' wel goed begrepen waarom je deze lijn koos. Het oogstte zelfs respect. Ik weet: het is geen successtory, het gaat ook dikwijls fout. Een mens wordt niet graag de voet dwars gezet. Maar dan nog! Heilige (!) doop.

(...)

En dan nu het volgende punt. Er zit een opmerkelijk verschil in het oorspronkelijke formulier wanneer we die vergelijken met ons huidige doopformulier. En dat verschil is niet alleen de lengte; inderdaad is het oorspronkelijk formulier beduidend langer wanneer ze ingaat op wat wij bij het doopvont aan de HEERE beloven, ook is er een nadrukkelijk verschil in formulering. In het huidige formulier staat het passief geschreven. Ik bedoel dit: er staat (u kunt meelezen - rechtse kolom): in de derde plaats, omdat elk verbond twee kanten in zich heeft, worden wij door God door middel van de doop opgeroepen en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid. Hoort u: worden opgeroepen tot en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid. Het oorspronkelijke formulier formuleert actiever, directer ook. Luister maar: maar nadien in alle verbonden beide delen zich met elkaar verbinden (of, naar de Duitse tekst: zich tot elkaar verplichten), zo beloven wij ...

Horen we dat? Zó beloven wij ...

We staan bij het doopvont, en wij beloven iets. Iets? Ontzagg'lijk veel! Om het even bij het oorspronkelijke formulier te houden; wij beloven Hem niet alleen tot onze God te houden, maar ook dat we alleen naar Hem toe gaan in nood (ziet u dat staan? - en bekennen willen, Hém alleen in onze nood aanroepen), verder: als gehoorzame kinderen te leven. En dat betekent dan weer twee dingen, namelijk: 1) dat wij waarachtig berouw over onze zonden hebben, onszelf aan Zijn wil onderwerpen en alle zonden te haten en te vlieden, en: 2) dat we in heiligheid en gerechtigheid voor Hem zullen leven.

Ik vraag ons allemaal even: is dat nu ook gelukt? Wat u allemaal belooft hebt - en het is en was nogal niet wat, is dat allemaal gelukt? Al wat Hij ooit beloofd heeft, zal bestaan, maar geldt dat nu ook voor wat ik beloofd heb? En wagen we het dan niet om te zeggen: Ja, maar dat zal een mens toch allemaal niet, dominee - we schieten in alles tekort! (...) Waarom zegt u dat? Wil de HEERE niet bij alle dingen helpen? En komt Hij niet ooit op onze beloften terug?

Het is zo verbazingwekkend hoe lichtvaardig we omspringen met onze beloften naar Hem toe. Hoe laconiek en vergeetachtig we zijn als het gaat om wat wij Hem beloofd hebben. Het verwondert, om niet te zeggen verbijstert mij soms hoe grif mensen ja zeggen. Hebben ze nu wel in de gaten wat ze allemaal aan God beloven? - denk ik dan.

Laten we daar even bij gaan zitten, zo gezegd. Als het gaat om de belofte bijvoorbeeld dat we onze kinderen zullen onderwijzen in de dingen van de Heere God. De derde doopvraag; of wij niet op ons nemen - voor onze rekening nemen dit kind/onze kinderen als ze tot hun verstand gekomen zijn, waarvan we vader en moeder zijn, in de voorzeide leer naar ons vermogen te onderwijzen, te doen en helpen onderwijzen.

Het zelf onderwijzen staat voorop. Dat spreekt voor zich. Natúúrlijk staat dat voorop; de belangrijkste dingen besteed je niet uit.

Maar eerlijk, lieve zusters en broeders, wat zie ik daar soms bitter weinig van terechtkomen. O ja, we sturen onze kinderen natuurlijk naar een christelijke school, naar de club, naar de zondagsschool. Ben je er dan? Bij lange na niet. Het is erg om te zeggen, maar de eerlijkheid en de liefde gebiedt het - we lopen onze benen uit ons lijf als het gaat om de gewone dingen, die onze kinderen nodig hebben; we gaan ervoor dat ze op school presteren, we zitten als het moet de juf of meester achter de vodden, maar hoeveel ijver hebben wij om zelf onze kinderen in de dingen van de HEERE in te wijden, aan de dienst en dingen van de HEERE te laten ‘gewennen', zo zingt Psalm 45 in de berijming. Wat komt daar nu van terecht - en ik zeg het heus niet alleen tegen u; ik spreek meer dan ooit ook tegen mezelf. De vaders moeten toch opstaan -in de Schrift, de vaders ... om hun kinderen te leiden naar Christus. En dat is meer dan een stukje uit de Bijbel lezen met de jongens.

Ja, er zijn zo veel dingen! Zeker, alsof ik dat niet weet. Maar wist u (bijvoorbeeld) dat de catechisatie door de kerk in het leven geroepen werd, omdat ouders hun taak in het onderwijs verzuimden? Dus, als alle ouders weer werk gaan maken van wat hun eerste taak is, dan kan de catechisatie alvast worden afgeschaft. En ik bedoel het niet bitter of knorrig, hoor - want ik geef nog graag catechisatie ook, maar het is feitelijk úw taak. Weet je Calvijn deed? Calvijn liet, zoals u misschien weet de kinderen op vrij jonge leeftijd belijdenis doen; 14-15 jaar, soms nog jonger. Maar ... dan moesten ze wel natuurlijk allerlei dingen leren. En wat gebeurde er nou? Als de catechisanten geëxamineerd werden en ze bleken te weinig te weten, dan kregen de ouders op de kop, van Calvijn ...

Ik zeg het ook hierom. Het heeft alles in zich wanneer in de gezinnen de HEERE wordt gediend, en waarbij de vader als priester functioneert. Nogmaals - dan kun je veel dingen van de kerkelijke agenda schrappen ... en dan kunnen alle leidinggevenden, meesters en jufs in hun eigen gezin blijven. Ds. L. Kievit schreef in de vorige eeuw al: de gemeente wordt gezinsgewijze gebouwd. En dat is zo! (Ik ga even voorbij aan de alleengaanden, alleenstaanden, weduwen.) Waar  de gezinnen 's zondags opgaan, gelijk de stammen naar Gods Naam genoemd, eens opgingen ... daar is grote zegen te verwachten. Temeer wanneer we onze kinderen ervan doordringen kunnen dat Gods Huis de Werkplaats is. Daar moet je wezen! Kijk, heel dingen, daarvan denken wij dat ze moeten - maar dat is onzin. Dit moet. Wist gij niet dat Ik moest zijn in de dingen mijns Vaders - zegt de Heere Jezus. God zegt twee keer per zondag - kóm! Wie ben je dan om te zeggen: ik kom niet. Of, ik kom vanavond wel. Durf je ongehoorzaam te zijn? Ja maar, misschien begrijpen ze het niet! Laat de kinderen tot Mij komen, verhinder hen niet. De Heere Jezus is in het Evangelie nergens zo boos als toen Zijn discipelen de kinderen tegenhielden ...

Ik schiet misschien wat uit de slof vanavond, maar hier ligt ons probleem. Wij waarderen de zondagse erediensten niet naar behoren. Ik zal daar wonen, Ik zal er zijn - waar twee of drie in Mijn Naam zijn. Morgen en avondoffer. Hij gaf Zichzelf geheel. En ik? ‘O God, doe mij toch een hele christen zijn!'

O. Noordmans schrijft ergens: Wanneer het gezin ophoudt kerk te zijn, zullen de gezinnen samen ook niet kerk kunnen zijn.

(...)

We zeggen dit niet om elkaar op te jagen, laat staan te ontmoedigen. Ik zie om mij heen ontroerende voorbeelden van vaders en moeders die met hun kinderen spreken, over de HEERE. Doordeweeks en zondags. Daar moet wel voldoende tijd voor zijn. En als daar niet voldoende tijd voor is, moet je die natuurlijk maken.

Hebben we daarin Gods beloften niet mee? Let u erop: die machtige belofte uit Mattheüs 28:20: die kennen we natuurlijk allemaal uit ons hoofd. En zie, Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld. Maar wist u dat die tekst - zoals uiteraard geen enkele tekst uit de Bijbel - niet los verkrijgbaar was?

Wat staat ervoor? Dit: Gaat heen, onderwijst al de volken, dezelfde dopende in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest; lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb. En ziet - en let op - Ik ben met ulieden ...

Hoort u wel? Als wij doen wat Hij van ons vraagt, dan belooft Hij erbij te zijn. Alle dagen. Ook die dagen dat het je juist in het onderwijzen van je kinderen bij de handen afbreekt. Maar je kunt dus niet zo met deze belofte weglopen, en zeggen: Ja, God is bij mij, hoor - dat heeft Hij Zelf beloofd! Nee ... dat heeft Hij niet beloofd; Hij heeft beloofd erbij te zijn als u er werk van gaat maken om te onderwijzen; als u uw kinderen leert onderhouden alles wat Hij u en hun geboden heeft. Als u in die weg gaat, met vallen en opstaan (dat zal waar zijn!), dan zal Hij met u zijn ... alle dagen, tot de voleinding der wereld.

Collecte

Psalm 45 vers 8

We gaan nu eerst in op een aantal vragen die ik in de afgelopen weken toegeschoven kreeg. Dank daarvoor, overigens!

De eerste is heel mooie en wezenlijke. Deze: In het doopformulier staat dat God ons en onze kinderen aanneemt tot kinderen en erfgenamen. Als je dat - zo vervolgt de vraag, zo leest, dan maak je daaruit op dat je behouden bent, maar de doop is geen garantie dat je behouden bent. Staat het dan niet verkeerd in het formulier?

 

Antwoord: inderdaad, dat staat in het formulier. Lezen we eventjes hoe er ook alweer precies staat. Het gaat om de belofte waar God de Vader in de Heilige Doop een streep onder zet. ‘Want als wij in de Naam van de Vader worden gedoopt, zo betuigt en verzegelt ons God de Vader dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade opricht, ons tot Zijn kinderen en erfgenamen aanneemt ... etc.'

Letten we erop dat dit een belofte is, die God de Vader ons doet. Een heel grote en machtige. Letten we er goed op hoe het formulier het zegt: God betuigt en verzegelt. We weten echter allemaal heel goed dat de beloften ‘effectief' worden wanneer er geloof wordt gehecht aan de beloften. De beloften vragen geloof; beloven en geloven samen geven de zaak. Toegegeven; het formulier formuleert op de scherpst van de snede, maar veronderstelt - zou ik durven zeggen, een gelovig respons. Het zal er steeds om gaan in dezen zorgvuldig te formuleren. Het formulier zegt niet: het is voor elkaar! Het zegt wel: als je geen kind of erfgenaam bent, is dat niet Gods schuld, maar onze schuld. Het gaat om, zoals we met nadruk moeten stellen - steeds weer: Gods welmenende beloften. God meent het. Ons hart is dikwijls barstensvol argwaan en wantrouwen tegenover de HEERE. Waar heeft Hij dat aan verdiend? Zo IK aan David lieg, zo hem Mijn Woord misleidt!?

Een andere vraag luidt: Is de volgorde van ellende, verlossing en dankbaarheid ook de weg die God (altijd) met de mens gaat?

Antwoord: toen professor Verboom hoogleraar werd namens de GB hield hij een rede onder de titel: Een oude drieslag als theologisch paradigma in de twintigste eeuw. Hij onderzoekt hierin hoe in de loop van de (kerk)geschiedenis de bekende drieslag heeft gefunctioneerd. Ik kan nu niet alles in een notendop samenvatten, maar de conclusie van Verboom is dat de zogenaamde chronologische volgorde (namelijk dat ellende, verlossing en dankbaarheid elkaar opvolgende stadia zijn) niet de intentie van de opstellers van de catechismus is geweest. Hij wijst er namelijk op dat in de Kerkorde van de Palts (1563) de HC werd opgenomen tussen het doop- en het avondmaalsformulier in en daarmee gesuggereerd dat de dopeling al lerende tot het avondmaal wordt geleid; de drie stukken functioneren daarom volgens hem veel meer als een drieluik, dus niet eerst de ellende, dan de verlossing en ten slotte de dankbaarheid.

Dat zal waar zijn, ikzelf wijs er dan nog wel graag op dat Ursinus (een van de opstellers van de Catechismus) in het Schatboek (toelichting op de Catechismus) wél denkt aan een chronologische volgorde. Wat is het nu? Zelf zou ik het graag zo willen zien/zeggen: de drie stukken moeten werden geleerd/gekend. In diverse Bijbelgedeelten kun je de drie stukken zo aflezen: Psalm 130 is een treffend voorbeeld, de Romeinenbrief is op de drie stukken ‘ingedeeld', en ga zo maar door. Of het altijd in deze volgorde gaat? Wat bedoelen we precies met deze vraag? Zacheüs werd eerst uit de boom gehaald en geconfronteerd met de genade van de Heere Jezus ziet hij pas werkelijk zijn ellende. Maar ... wat dreef hem de boom in? Waarom wilde hij Jezus zien? Was er toch al niet ...? Het ‘probleem' van de chronologische benadering is dat je vastloopt met de vragen zoals: wanneer ken je je ellende nu diep genoeg? Enzovoorts. Tegelijk: die gezond zijn hebben de Medicijnmeester niet van node, en de wet is toch een tuchtmeester tot Christus?! Het is - zegt zondag 2 van de HC, de wet in de hand van Christus; dat is pas ontdekkend! En, ontdek je in het stuk van de dankbaarheid juist niet hoe en welk een ellendig mens je nog bent!?

Een volgende vraag haakt daarop in: Is het Christus die overtuigt van zonde, of is dat het werk van de Heilige Geest?

Antwoord: in Johannes 16:8 staat dat de Trooster, Die de Heere Jezus zenden zal, zal ‘overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel'. Het is het specifieke werk van God de Heilige Geest, terwijl we de vorige keer (nog) zagen dat het oorspronkelijke doopformulier onbekommerd stelt dat de Heere Jezus ontdekt en overtuigt. We hoeven daar geen tegenstelling in te zien. Vader, Zoon en Heilige Geest zijn immers Een. En de werken van God Drie-enig zijn nooit met elkaar in tegenspraak.  Immers, zoals we zojuist stelden; in zondag 2 van de HC wordt ook gezegd in verband met de eis van de wet: dit leert ons Christus.

Zingen: Psalm 89:15