Kinderdoop in Bijbels perspectief

In de kerkelijke traditie van de reformatie is de kinderdoop een vanzelfsprekendheid. Dat wil niet zeggen dat de kinderdoop voor alle christenen vanzelfsprekend is. Ook in onze tijd ligt de kinderdoop nogal eens onder vuur. De suggestie wordt gewekt dat de bijbelse basis van de kinderdoop ontbreekt, of in het gunstigste geval uiterst wankel is. Dergelijke kritiek veroorzaakt de nodige vragen over de kerkelijke praktijk van de kinderdoop, niet in het minst onder onze jongeren. Daarom is het de moeite waard om na te gaan wat we hierover kunnen vinden in Gods Woord. Het onderstaande is niet bedoeld als een uitvoerige pastorale handreiking over de doop, en evenmin als een uiteenzetting over de betekenis van het verbond. Het gaat hier om een beknopt overzicht van enkele Schriftgegevens die van belang zijn voor de vraag of wij onze kleine kinderen zullen dopen, of niet.

In het Nieuwe Testament vinden we geen uitdrukkelijk bevel om kinderen te dopen. Tegenstanders van de kinderdoop concluderen hieruit dat kinderdoop niet bijbels zou zijn. Maar voorstanders van de kinderdoop concluderen hier juist uit dat de kinderdoop in de Bijbel zo vanzelfsprekend is dat hij niet afzonderlijk vermeld hoeft te worden. Ter illustratie: Wie zou uit het feit dat we in het Nieuwe Testament alleen lezen van mannen die deelnemen aan het Heilig Avondmaal, en dat nergens expliciet vermeld staat dat vrouwen hier ook aan mogen deelnemen, willen concluderen dat het onbijbels is dat vrouwen deelnemen aan het Heilig Avondmaal?

Op grond waarvan kun je zeggen dat het vanzelfsprekend is dat ook de kleine (zelfs ongeboren!) kinderen bij het verbond behoren, en als gevolg hiervan het verbondsteken krijgen?

In dit verband kunnen we allereerst denken aan het verbond dat de HEERE heeft opgericht met Abraham. Dit verbond strekt zich uit tot Abrahams nageslacht. Het is Gods uitdrukkelijke bevel dat de pasgeboren kinderen al op de achtste dag het teken en zegel van het verbond ontvangen in de besnijdenis (zie Genesis 17).

Tegenstanders van de kinderdoop beweren vaak dat het verbond met Abraham alleen betekenis heeft voor het Joodse volk, en niet meer voor de christelijke gemeente van nu. Zij beschouwen het verbond met Abraham en zijn nageslacht als een verbond dat slechts betrekking heeft op aardse zegeningen, en niet op geestelijke zegeningen.

Dat het verbond met Abraham betrekking heeft op het Joodse volk en op het aardse Kanaän is onmiskenbaar. Tegelijkertijd merken we in Gods Woord dat het verbond met Abraham ook een geestelijke betekenis heeft. In het verbond met Abraham gaat het ten diepste niet om het uiterlijke teken van de besnijdenis van het vlees, maar om de besnijdenis van het hart (zie bijvoorbeeld Deuteronomium 30:6, Jeremia 4:4 en Romeinen 2 en 3). Het gaat bij Abraham niet alleen om het aardse Kanaän, maar ook om het hemelse Vaderland (zie Hebreeën 11:8-19). Zie ook Johannes 8:30-59, waar de de Heere Jezus de Joden leert dat het niet gaat om de vleselijke afstamming van Abraham, maar om de geestelijke.

Dat het verbond met Abraham niet alleen van betekenis is voor het Joodse volk, maar ook betekenis zal krijgen voor de heidense volkeren, maakt de HEERE van meet af aan duidelijk. Al in Genesis 12:3 belooft Hij Abraham: ‘…En in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden’ (zie ook Genesis 18:18; 22:18; 26:4). Deze tekst komt terug in een preek van Petrus na Pinksteren, wanneer de heidense volkeren concreet in het vizier komen (Handelingen 3:25). Dezelfde tekst vinden we opnieuw in Galaten 3:8, waar Paulus beargumenteert dat ook de heidenen die tot geloof komen, behoren bij het nageslacht van Abraham, en daarmee bij de kinderen van het verbond. Zie ook Galaten 3:9: ‘Zo dan die uit het geloof zijn, worden gezegend met de gelovige Abraham.’. Galaten 3:29: ‘En indien gij van Christus zijt, zo zijt gij dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis (van het verbond!) erfgenamen.’ Een ander Schriftgedeelte waaruit blijkt dat het verbond met Abraham niet alleen betrekking heeft op het Joodse volk, maar ook op alle gelovigen uit de heidenen, is Romeinen 4:13-18. Hier wordt Abraham genoemd de vader, niet alleen van de Joden, maar ook van alle gelovigen uit de heidense volkeren.

Zijn er teksten die bevestigen dat ook in het Nieuwe Testament de kinderen delen in het verbond, en dus ook het teken en zegel van het verbond behoren te krijgen?

Denk bijvoorbeeld aan de bekende woorden in Handelingen 2:39 ‘Want u komt de belofte (van het verbond!) toe, én uw kinderen, én allen die daar verre zijn, zovelen als er de Heere onze God toe roepen zal.’ Belangrijk is ook 1 Korinthe 7:14. Hier gaat het over kinderen van echtparen waarvan slechts een van beiden gelovig (geworden) is. Zelfs van deze kinderen wordt gezegd dat zij niet ‘onrein’ (dwz heidens, buiten het verbond) zijn, maar ‘geheiligd’ (dwz toegewijd aan God, afgezonderd als verbondskind). Hier gaat het niet over de vraag of deze kleine kinderen wedergeboren, of persoonlijk tot geloof gekomen zijn, maar over de vraag of zij wel of niet behoren bij Gods verbond en delen in Zijn beloften.

Tegenstanders van de kinderdoop noemen nogal eens Markus 16:16: ‘Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden.’ Zij menen dat de volgorde van geloof en doop die hier genoemd wordt onomkeerbaar is. Is dat terecht? Wel als het gaat over het wereldwijze zendingswerk onder de heidenen waartoe de discipelen hier worden geroepen. Dit is immers het verband waarin deze tekst staat (zie Markus 16:15). In het zendingswerk gaat er niet om zoveel mogelijk mensen te dopen. Het gaat erom dat zij tot geloof en bekering komen. Pas daarna worden zij gedoopt. Het heeft immers geen enkele zin om ongelovige heidenen zomaar te dopen.

Ondertussen gaat het in deze tekst niet over de kleine kinderen die nog te klein zijn om te kunnen geloven. Evenals in het Oude Testament worden deze kleine kinderen ‘gewoon’ meegerekend met de ouders, en dus ook gedoopt (zie ook verderop de ‘huisteksten’). Wie meent dat het in deze tekst wél zou gaan over de kleine kinderen, en dat deze tekst de kinderdoop uit zou sluiten, komt in de problemen met het laatste woorden ervan. Want als het ook voor kleine (en ongeboren) kinderen zou gelden dat zij alleen zalig worden als zij geloofd zullen hebben en gedoopt zullen zijn, en dat zij verdoemd zullen worden als zij niet geloofd zullen hebben, dan zou geen enkel klein kind zalig kunnen worden. Dat wordt hier gelukkig niet bedoeld.

Wat gebeurt er dan met de kleine kinderen in het Nieuwe Testament?

Evenals in het Oude Testament worden zij meegerekend met hun ouders. Expliciet vinden we dit terug in de ‘huisteksten’. In deze teksten lezen we dat op het moment dat de verantwoordelijke(n) in een ‘huis’ tot geloof en bekering komt, ook zijn/haar hele ‘huis’ gedoopt wordt. Het woord ‘huis’ heeft betrekking op allen die tot deze huishouding behoren, en onder zijn/haar verantwoordelijkheid vallen, dus zowel de slaven en inwonende knechten als ook de kinderen die nog niet volwassen zijn.

Wanneer zo’n hele huishouding wordt gedoopt, wil dat niet zonder meer zeggen dat op dat moment alle leden van zo’n ‘huis’ persoonlijk tot geloof en bekering zijn gekomen. Het wil wel zeggen dat zij allen voortaan behoren bij een ‘huis’ waarin de Heere wordt gediend. In dit verband staat er in Genesis 17 nadrukkelijk bij dat niet alleen de kinderen, maar ook bijvoorbeeld de buitenlandse slaven die bij het huisgezin behoren (en dus onder de verantwoordelijkheid van een Israëliet vallen) besneden moeten worden. Zie ook bijvoorbeeld Jozua 24:15 ‘… Maar aangaande mij en mijn huis, wij zullen de HEERE dienen’.

De nieuwtestamentische huisteksten die betrekking hebben op de doop zijn met name te vinden in het boek Handelingen (bij uitstek zendingssituatie!):

-Handelingen 10 (Cornelius en zijn huis; zie ook 11:14)

-Handelingen 16:15 (Lydia en haar huis)

-Handelingen 16:33 (gevangenenbewaarder en zijn huis)

-Handelingen 18:8 (Crispus met zijn gehele huis)

-1 Korinthe 1:16 (het huisgezin van Stefanas)

Waarom gebruiken wij de besnijdenis niet meer als verbondsteken?

Nergens vinden we de opdracht om de heidenen die tot geloof komen te besnijden. Integendeel. Er zijn meerdere teksten die het uitdrukkelijk verbieden om de gelovigen uit de heidenen te verplichten tot de besnijdenis. Zie bijvoorbeeld Handelingen 15 en Galaten 5:2.

Waarom dopen wij dan?

Dat heeft de Heere Jezus ons geleerd: ‘Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb’ (Mattheüs 28:19).

Een concreet voorbeeld van de doop in plaats van de besnijdenis is de geschiedenis van Cornelius en zijn huisgezin in Handelingen 10. Dat Cornelius en zijn huis onbesneden waren, weten we uit Handelingen 11:3. Zij worden niet meer besneden, maar alleen gedoopt (zie Handelingen 10:44-48). Zie ook Kolossenzen 2:11 en 12, waar staat dat de ware betekenis van de besnijdenis dezelfde is als de betekenis van de doop.

Katwijk aan Zee – J.B. ten Hove, v.d.m.

Navigatie

Immanuël

  1. Extra
  2. Diversen
  1. Kinderdoop
  2. Gods Zoon in het vlees
  3. Het duizendjarige rijk
  4. De eerste christenen in NL

Zoeken

About

Links