Kinderdoop in Bijbels perspectief

De kinderdoop in bijbels perspectief

Waarom dopen wij onze kinderen? Allereerst: De doop is niet bedacht door mensen of door de kerk, maar ingesteld door de Koning van de Kerk, onze Heere Jezus Christus: ‘Ga dan heen, onderwijs al de volken, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen’ (Mattheüs 28:19). Voor ons is het doorgaans vanzelfsprekend dat deze opdracht niet alleen betekent dat ongedoopte volwassenen (die tot geloof komen) worden gedoopt, maar ook de kleine kinderen binnen de christelijke gemeente. Toch is de kinderdoop niet voor alle christenen vanzelfsprekend. Soms wordt de suggestie gewekt dat de bijbelse basis voor de kinderdoop zou ontbreken. Daarom is het de moeite waard om na te gaan wat we hierover kunnen vinden in Gods Woord. Het onderstaande is een beknopt overzicht van Schriftgegevens die van belang zijn voor een antwoord op de vraag waarom wij onze kleine kinderen dopen.

Op zich vinden we in het Nieuwe Testament geen uitdrukkelijk bevel om kleine kinderen te dopen. Tegenstanders van de kinderdoop concluderen hieruit al snel dat de kinderdoop niet bijbels zou zijn. Maar voorstanders van de kinderdoop trekken precies de tegenovergestelde conclusie: Het is in de Bijbel zo vanzelfsprekend dat er niet alleen volwassenen maar ook kleine kinderen worden gedoopt, dat dit niet afzonderlijk vermeld hoeft te worden. Een belangrijk argument bij voorstanders van de kinderdoop is het bijbelse gegeven dat ook kleine, zelfs ongeboren kinderen bij Gods verbond horen, en dat deze kinderen daarom niet van de doop uitgesloten mogen worden.

Op grond waarvan kun je zeggen dat het vanzelfsprekend is dat ook de kleine kinderen bij het verbond horen, en dat zij daarom niet van de doop uitgesloten mogen worden?

Het bijbelse uitgangspunt is het verbond dat de HEERE heeft gesloten met Abraham en zijn nageslacht. Dit verbond heeft niet alleen betrekking op volwassen mensen, maar ook op de allerkleinste kinderen. Daarom is het Gods bevel dat de pasgeboren baby’s al op de achtste dag besneden moeten worden. Als verbondskinderen krijgen zij het teken en zegel van het verbond (zie Genesis 17).

Tegenstanders van de kinderdoop beweren soms dat het verbond met Abraham alleen betekenis zou hebben voor het Joodse volk, en niet meer voor de christelijke gemeente van nu. Al heeft het verbond met Abraham een bijzondere betekenis voor het Joodse volk, de Bijbel maakt duidelijk dat dit verbond ook betrekking heeft op de nieuwtestamentische christelijke gemeente. Een duidelijk voorbeeld is de pinksterpreek van Petrus: ‘Want voor u (de Joden) is de (verbonds)belofte, en voor uw kinderen, en voor allen die veraf (d.w.z. uit de heidenvolken) zijn, zovelen als de Heere onze God ertoe roepen zal’ (Handelingen 2:39).

Ook Galaten 3 laat zien dat de gelovigen uit de heidenen worden ingelijfd in het verbond met Abraham, zie bijvoorbeeld Galaten 3:7-9: ‘Begrijp dan toch dat zij die uit het geloof zijn (Joden EN heidenen) Abrahams kinderen zijn …’ Verderop Galaten 3:29: ‘En als u van Christus bent, dan bent u Abrahams nageslacht en overeenkomstig de belofte erfgenamen.’ Een ander Schriftgedeelte waaruit blijkt dat het verbond met Abraham niet alleen betrekking heeft op het Joodse volk maar ook op alle gelovigen uit de heidenen, is Romeinen 4:13-18. Hier wordt Abraham de vader genoemd, niet alleen van de Joden, maar ook van alle gelovigen uit de heidense volken.

Een opmerkelijke tekst die bevestigt dat de kinderen er voluit bij horen in Gods verbond, en dat zij daarom niet van de doop uitgesloten mogen worden, is 1 Korinthe 7:14. Hier gaat het over kinderen van echtparen van wie alleen de vader of de moeder gelovig is geworden. Zelfs van deze kinderen wordt gezegd dat zij niet ‘onrein’ (d.w.z. heidens, buiten het verbond) zijn, maar ‘heilig’ (d.w.z. toegewijd aan God, afgezonderd voor de HEERE evenals de verbondskinderen van het volk Israël). Als deze kinderen ‘heilig’ worden genoemd, en dus toebehoren aan de HEERE, hoe kan men hen dan uitsluiten van de doop?

Tegenstanders van de kinderdoop noemen nogal eens Markus 16:16: ‘Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar wie niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden.’ Zij menen dat de volgorde van geloof en doop die hier wordt genoemd per definitie onomkeerbaar is. Maar is dat terecht? Op zich wel als het gaat over het wereldwijze zendingswerk onder de heidenen. Daarover gaat het immers in de context waarin deze tekst staat (zie Markus 16:15). In het zendingswerk is het belangrijkste doel niet dat er zo veel mogelijk mensen worden gedoopt, maar dat zij tot geloof en bekering komen. Pas daarna worden zij gedoopt, want het heeft geen enkele zin om ongelovige heidenen ‘zomaar’ te dopen. Daarom is de volgorde in Markus 16:15: eerst geloof, dan doop. Ondertussen is het belangrijk om te begrijpen dat het in deze tekst helemaal niet gaat over (ongeboren) baby’s en andere kinderen die nog te klein zijn om te kunnen geloven. Wie denkt dat het hier wel zou gaan over de kleine kinderen (en dus dat ook de kleine kinderen eerst zouden moeten geloven voordat zij gedoopt mogen worden), komt in de problemen met het tweede deel van Markus 16:15. Daar staat immers: ‘… maar wie niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden.’ Als dit ook zou gelden voor kleine (en ongeboren) kinderen, dan zou geen enkel klein kind zalig kunnen worden. Zij zijn immers nog te klein om te kunnen geloven. Maar dat wordt hier gelukkig niet bedoeld. Het gaat in Markus 16:15 over een zendingssituatie waarin heidenen tot geloof komen, niet over de situatie in een gevestigde christelijke gemeente. Daar worden de kleine kinderen evenals in het Oude Testament als vanzelfsprekend meegerekend met de ouders, en daar worden zij gedoopt voordat zij tot geloof kunnen komen.

Wat gebeurt er concreet met de kleine kinderen in het Nieuwe Testament?

Wanneer ongelovige ouders overgaan tot het christelijk geloof en zich laten dopen, dan worden ook hun kleine kinderen gedoopt. Deze kinderen worden binnen de christelijke gemeente, evenals in het Oude Testament, meegerekend met hun ouders. Duidelijk vinden we dat terug in de ‘huisteksten’. Deze teksten herinneren ons eraan dat een ‘huis(gezin)’ in de Bijbel als een eenheid wordt beschouwd.

Wanneer de HEERE het verbond sluit met Abraham, dan geldt dat ook voor allen die bij zijn ‘huis’ (huisgezin, huishouding) horen. Dat betreft niet alleen de eigen kinderen, maar zelfs de slaven die bij het ‘huis’ horen en hun kinderen (zie bijvoorbeeld Genesis 17:12). Kortom: wanneer de HEERE het verbond sluit met Abraham, dan geldt dat verbond ook voor allen die onder zijn verantwoordelijkheid vallen, en daarom krijgen allen die bij zijn ‘huis’ horen het verbondsteken. Een mooi voorbeeld waaruit blijkt dat een ‘huis(gezin)’ Bijbels gezien een eenheid vormt, vinden we in de belijdenis van Jozua, cf. Jozua 24:15: ‘Maar wat mij en mijn 'huis‘ betreft, wij zullen de HEERE dienen’ (Jozua 24:15).

Dit bijbelse principe vinden we terug in het Nieuwe Testament. Wanneer heidenen tot geloof komen en zich laten dopen, dan worden ook alle mensen die bij hun ‘huis’ horen en onder hun verantwoordelijkheid vallen, gedoopt. Zie bijvoorbeeld:

-Handelingen 10 (Cornelius en zijn ‘huis’; zie ook 11:14)

-Handelingen 16:15 (Lydia en haar ‘huis’)

-Handelingen 16:33 (de cipier en zijn ‘huis’)

-Handelingen 18:8 (Crispus met heel zijn ‘huis’)

-1 Korinthe 1:16 (het ‘huis’ van Stefanas)

De doop van Johannes

Soms gebruikt men de doop van Johannes als argument tegen de kinderdoop. Men wijst dan op de Heere Jezus Die Zich als volwassene heeft laten dopen (Mattheüs 3). In dit verband is het belangrijk om helder onderscheid te maken tussen de doop van Johannes en de christelijke doop. De doop van Johannes is immers niet dezelfde doop als de doop die de Heere Jezus voor ons heeft ingesteld (zie Mattheüs 28:19). Als voorloper van de Messias heeft Johannes wel mensen gedoopt met een bijzondere waterdoop die het karakter heeft van een boetedoening, maar dat is niet de christelijke doop als ‘inlijving’ in de drieënige God en Zijn verbond. Johannes heeft immers niemand gedoopt in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, zoals Christus ons heeft geleerd.

Waarom gebruiken wij de besnijdenis niet meer als verbondsteken?

Nergens vinden we de opdracht om de heidenen die tot geloof komen te besnijden, integendeel. Er zijn meerdere teksten die het uitdrukkelijk verbieden om de gelovigen uit de heidenen te verplichten tot de besnijdenis. Zie bijvoorbeeld Handelingen 15 en Galaten 5:2.

Waarom dopen wij dan?

De Heere Jezus heeft de doop Zelf ingesteld, zie boven (Mattheüs 28:19). Een concreet voorbeeld van de doop in plaats van de besnijdenis is de geschiedenis van Cornelius en zijn huisgezin in Handelingen 10. Dat Cornelius en zijn ‘huis’ onbesneden waren, weten we uit Handelingen 11:3. Zij worden niet meer besneden, maar alleen gedoopt (zie Handelingen 10:44-48). Zie ook Kolossenzen 2:11 en 12, waar staat dat de ware betekenis van de besnijdenis dezelfde is als de betekenis van de doop.

Katwijk aan Zee – J.B. ten Hove, v.d.m. (versie september 2014)