Gods Zoon in het vlees (1 johannes 4: 2-3)

Gods Zoon is in het vlees gekomen. Zijn vleeswording is en blijft een Goddelijk geheim. Toch heeft God Zijn geheim geopenbaard zonder er geheimzinnig over te doen. Daarmee spoort Hij ons aan tot bijbelse doordenking van dit wonder. Daarbij brengt biddende overdenking tot aanbidding.

Gekomen in het vlees

Wat betekent het eigenlijk dat Jezus Christus in het vlees is gekomen (1 Johannes 4:2-3), dat het Woord vlees is geworden (Johannes 1:14)? Met deze woorden wordt beleden dat Gods Zoon, Die voluit God is, ook voluit mens is geworden. Christus is op aarde geboren, niet in een schijnlichaam, maar als waarachtig mens van vlees en bloed (Hebreeën 2:14). Hij is in alles aan ons gelijk geworden, behalve de zonde (Hebreeën 2:17 en 4:15). Hij werd een Mens met menselijke zwakheid, een Mens met een lichaam dat vatbaar is voor verzoekingen en beproevingen, een Mens met zorgen, angst, ziekte en pijn, een Mens met een lichaam dat gedoemd is om te sterven. Wat een Heiland! Kon Hij nog dichter bij ons komen?

In het zondige vlees?

Betekent Christus’ komst in het vlees ook dat Hij in ons zondige vlees is gekomen? Het lijkt er op dat niet iedereen hetzelfde antwoord geeft op deze vraag. Toch is vanuit Gods Woord slechts één antwoord mogelijk. Gods Zoon heeft wel de gevolgen van de zonde ‘aan den lijve’ ervaren, maar Hij was in Zijn menselijke natuur volkomen heilig en rein. Wanneer Paulus in Romeinen 7:14 uitroept dat hij vleselijk is, dan lijdt hij aan zijn eigen zondigheid. Maar daar wordt het woord ‘vleselijk’ in een heel andere betekenis gebruikt dan bij Christus’ komst in het vlees. Nergens staat er in de Heilige Schrift dat Christus bij Zijn komst op aarde vleselijk werd in de zin van zondig. De geboorte van Gods Zoon betekent dat Hij waarachtig mens geworden is, maar dan zonder zonde. Op dit punt spreken ook de belijdenisgeschriften van de Kerk klare taal, evenals kerkvaders zoals Augustinus, Calvijn en Luther, of bijvoorbeeld de klassieke kanttekeningen bij de Statenvertaling.

Zonde gemaakt

Een begrijpelijke vraag is hoe je dan een tekst zoals 2 Korinthe 5:21 moet uitleggen. Daar staat immers dat God Zijn Zoon ‘zonde’ voor ons heeft gemaakt. Hier komen we bij het hart van het Evangelie van de plaatsvervanging. Gods Zoon is inderdaad geheel en al zonde geworden, Hij in plaats van ons. Ondertussen moeten we daarbij niet denken aan Zijn geboorte, maar aan Zijn kruisiging. Alleen op voorwaarde van Zijn volkomen zondeloosheid in Zichzelf kon Christus in onze plaats gaan staan. Daarom staat er in hetzelfde vers nadrukkelijk bij dat Hij geen zonde heeft gekend, dat wil zeggen dat Hij volkomen vrij was van zonde. Dat heeft niet alleen betrekking op Zijn Goddelijke, maar ook op Zijn menselijke natuur. Want als Hij in Zijn menselijke natuur zondig was geweest, dan had Hij bij voorbaat gefaald als de tweede Adam. Als Hij bij Zijn vleeswording in onze zondige natuur verwikkeld was geraakt, dan was Hij ongeschikt geweest als het Lam van God.

Mens zonder zonde

Heel scherp hebben bijvoorbeeld de opstellers van de Heidelbergse Catechismus dit doorzien. Daarom hebben zij er in zondag 6 een vraag aan gewijd. Zij vragen in vraag 16 niet alleen waarom Gods Zoon een waarachtig mens, maar ook waarom Hij een rechtvaardig mens moest zijn. In hun antwoord maken zij duidelijk dat een mens die zelf zonde in zich meedraagt niet voor een ander kan betalen. De wonderlijke ruil waarover Luther zo uitbundig kon jubelen is alleen mogelijk op voorwaarde van Christus’ volkomen rechtvaardigheid, ook in Zijn menselijke natuur. Hij, Die midden in onze zondige wereld heeft geleefd als mens zoals wij behalve de zonde, is tot zonde gemaakt. Waarom? ‘…Opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.’ Kortom: Hij mijn zonde, ik Zijn zondeloosheid; Hij mijn ongerechtigheid, ik Zijn gerechtigheid.

Offer voor de zonde

In dit verband is het bijzonder om te lezen dat bijvoorbeeld de kanttekeningen, in navolging van Augustinus en Calvijn, er op wijzen dat het woord ‘zonde’ in 2 Korinthe 5:21 heel goed vertaald kan worden als ‘zondoffer’ of ‘offer voor de schuld’. De oudtestamentische offerdienst helpt ons om de betekenis van deze tekst te verstaan. Nergens wordt de betekenis van de plaatsvervanging zo duidelijk zichtbaar als in de offers op het brandofferaltaar. De zondaar komt met een lam. Zo’n lam moet onberispelijk zijn. De zondaar die schuldig is, legt zijn hand op het onschuldige lam. De schuld wordt overgedragen op het offerdier. Het lam sterft, de zondaar gaat vrijuit. Dat is het Evangelie van verzoening door voldoening. En daarom: ‘Zie het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt!’ (Johannes 1:29).

J.B. ten Hove, Katwijk aan Zee