De eerste christenen in Nederland

 

De betekenis van Willibrord

Wanneer komen de eerste christenen in onze Lage Landen? Vaak wordt in een antwoord verwezen naar Willibrord, de zendeling uit Engeland. Hij zou de eerste zijn geweest die het licht van Gods Woord heeft gebracht in de duisternis van het Germaanse heidendom.

Het is een onbetwist feit dat Willibrord als zendeling een onuitwisbare indruk in Nederland heeft gemaakt. Hij heeft ons voorgeslacht Gods weg van zaligheid verkondigd. Zijn missionaire moed en gedrevenheid zijn een getuigenis op zich. Als nageslacht denken we aan hem in dankbaarheid. Wat dat betreft zou een zichtbaar gedenkteken Katwijk sieren.

Toch is hiermee niet gezegd dat met de komst van Willibrord het Evangelie voor het eerst in onze landen zou zijn aangeland. Er zijn ten minste twee historische gegevenheden die ons er aan herinneren dat de werkelijkheid genuanceerder is.

Het Romeinse wereldrijk

Allereerst is er de invloed van het christendom vanuit het Romeinse Rijk. Al in de eerste eeuwen van onze jaartelling dringt het Evangelie van Christus diep door in dit wereldrijk, waarvan het noorden grenst aan de Rijn. Doorgaans zijn de belangrijkste getuigen de gewone christenen onder de talloze reizigers, handelslieden, militairen en emigranten. Ondanks alle belemmeringen die het pad van boodschappers van de blijde Boodschap kruisen, kunnen zij via het onvolprezen Romeinse wegennet de weg letterlijk geplaveid vinden tot in Katwijk toe, nog afgezien van alle drukbevaren routes over rivieren en zeeën. Dat Katwijk in de Romeinse tijd druk wordt bezocht, heeft alles te maken met de Romeinse legerplaats (castellum) in het naburige Valkenburg en met het strategische fort Brittenburg waarvan de resten inmiddels in de zee bij Katwijk zijn verdwenen.

De verbreiding van het Evangelie in het Romeinse wereldrijk krijgt een krachtige impuls wanneer keizer Constantijn christen wordt, in het jaar 312. Onder zijn regering wordt het christendom de staatsgodsdienst. In hoeverre het Romeinse leger zich dan al heeft teruggetrokken uit de noordelijkste linies is niet zeker. Al wordt bijvoorbeeld het Valkenburgse kampement al ontruimd in de jaren 260-275, er zijn duidelijke aanwijzingen voor de aanwezigheid van de Romeinen in de Katwijkse contreien tot ver in de vierde eeuw. Vermeldenswaard als bijkomstigheid zijn de recente vondsten van Romeinse munten met afbeeldingen van christelijke keizers bij archeologische opgravingen in de nieuwbouwwijk de Zanderij.

Helaas weten we heel weinig met zekerheid over deze vroege Nederlandse geschiedenis, en dus ook heel weinig over de aanwezigheid van christenen, het eventuele ontstaan van huisgemeenten of zelfs de bouw van kleine kerken in de eerste eeuwen. Ondertussen weten we met zekerheid dat er in bijvoorbeeld Trier reeds in de derde eeuw een bisdom bestaat, en dat de komst van christenen in deze stad van nog veel vroeger datum is.

Veelzeggend is een verwijzing van de kerkvader Irenaeus van Lyon die rond het jaar 185 schrijft over gemeenten ‘onder de Germanen’ (adv. haer. 1, 10, 2). Hiermee verwijst hij naar christelijke gemeenschappen, waarschijnlijk binnen Romeinse nederzettingen langs de Rijn zoals Keulen. Het is aannemelijk dat kleine christelijke gemeenten zich dan ook al verder in noordwestelijke richting bevinden, bijvoorbeeld bij Nijmegen, misschien zelfs tot bij de Noordzeekust. Opmerkelijk is ook dat Augustinus (354-430) het in zijn dagen als algemeen bekend veronderstelt dat de Kerk is uitgebreid over heel de aarde en onder alle volkeren. Met stelligheid zegt hij dat het Evangelie de grenzen van de wereld heeft bereikt. Hoe we deze gegevens ook moeten duiden, vooralsnog blijft het een bijzonder boeiende vraag welke betekenis het Romeinse Rijk heeft gehad voor de komst van het Evangelie in Nederland.

Het Frankische koninkrijk

De tweede historische factor die van belang is voor het antwoord op de vraag wanneer het Evangelie naar de Lage Landen is gekomen, ligt in het Frankische rijk.

Er is een authentieke aantekening van Willibrord bewaard gebleven op een kerkelijke kalender die afkomstig is uit zijn klooster te Echternach in Luxemburg. Deze in 728 opgetekende woorden, die bewaard worden in de Bibliothèque Nationale te Parijs, laten het volgende lezen: ‘In de Naam des Heeren kwam Clemens Willibrordus in het 690e jaar na de incarnatie van Christus over de zee in Francia, en in de Naam van God is hij in het 695e jaar na de incarnatie des Heeren, hoewel onwaardig, gewijd in Rome tot bisschop door de apostolische man, heer Sergius, paus.’ Hier schrijft Willibrord over zijn komst naar Nederland als een aankomst in Francia, het Frankische rijk. In dit koninkrijk van de Franken is er grote behoefte aan zendelingen. Toch is het allang geen heidens rijk meer, ondanks invloedrijke heidense elementen. Wanneer Willibrord met zijn metgezellen in Katwijk voet aan wal zet, is het immers al bijna 200 jaar geleden dat Clovis (Chlodovech I), de koning van de Franken, in navolging van zijn christelijke vrouw is overgegaan tot het christendom. Van deze koning weten we dat hij zich tijdens de kerstdagen van het jaar 496 laat dopen te Reims. Koning Clovis bewijst zich niet alleen als christen, maar ook als strateeg. Zijn succesvolle veroveringspolitiek betekent tevens een snelle uitbreiding van het christendom, niet alleen in zuidelijke, maar ook in noordelijke richting. Al voor het jaar 600 staat er in Utrecht een kapel, waarschijnlijk (mede) bestemd voor het Frankische bezettingsleger. Er zijn zelfs overleveringen dat er al veel eerder in Utrecht een kerkje zou zijn gebouwd. Later wordt Willibrord aartsbisschop in deze stad.

Al heeft het optreden van Willibrord veel van pionierswerk, hij vervult zijn missionaire roeping in een rijk waarvan de koning zich sinds jaar en dag rekent tot de christenen. Ondanks vijandigheden van de bevolking vanwege zijn ijver tegen heidense volksgebruiken, heeft hij de steun van de Frankische regering. In de dagen van Willibrord liggen de heidense streken met name boven, niet meer onder de Nederlandse rivieren.

Toch zijn er zelfs in het noordelijke deel van het tegenwoordige Nederland al zendingsactiviteiten aanwijsbaar voor de komst van Willibrord. Reeds in de winter van 678-679 heeft Wilfrid van York, de leermeester van Willibrord, contacten met de Friese koning Aldgisl. Met diens toestemming verkondigt hij het Evangelie aan het volk, waarop vele Friezen tot geloof komen, zich bekeren en zich laten dopen. De later Friese vorst Redband keert zich echter, na aanvankelijke toenadering, radicaal tegen het christendom en maakt verder zendingswerk onmogelijk. Toch gaat op Gods tijd ook de Noord-Nederlandse deur voor het Evangelie open. Bonifatius, die in zijn jonge jaren nog met Willibrord heeft samengewerkt, weet zich jaren na diens overlijden geroepen om het zendingswerk van zijn vroegere leermeester in het noorden voort te zetten. Het kost hem in het jaar 754 bij Dokkum zijn hoofd, maar zijn sterven is geen verlies. Niets en niemand kunnen verhinderen dat het Evangelie zich een weg heeft gebaand tot in het noordelijkste deel van onze Lage Landen toe.

Ds. J.B. ten Hove.

Bronnen:

-A. en H. Algra, Dispereert niet. Twintig eeuwen historie van de Nederlanden I, Franeker 1987, 32-38.

-J.N. Bakhuizen van den Brink, Handboek der kerkgeschiedenis I, Den Haag 1965, 67-69.

-J.N. Bakhuizen van den Brink, Handboek der kerkgeschiedenis II, Leeuwarden 1976, 1-5.

-H. Dijkstra en F.C.J. Ketelaar, Brittenburg. Raadsels rond een verdronken ruïne, Bussum 1965.

-A. von Harnack, Die Mission und Ausbreitung des Christentums in den ersten drei Jahrhunderten, Wiesbaden 1924, 872-884.

-O.J. de Jong, Geschiedenis der kerk, Nijkerk 1987, 88-91.

-O.J. de Jong, Nederlandse Kerkgeschiedenis, Nijkerk 1986, 9-35.

-J. Lendering en A. Bosman, De rand van het Rijk. De Romeinen en de Lage Landen, Amsterdam 2010.

-F. van der Pol, ‘De Middeleeuwen tot 1200’ in: H.J. Selderhuis (red.), Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis, Kampen 2006, m.n. 15-60.

-H.M. van der Velde (red.), Cananefaten en Friezen aan de monding van de Rijn. Tien jaar archeologisch onderzoek op de Zanderij-Westerbaan te Katwijk (1996-2006) (ADC Monografie 5, ADC Rapport 1456) Amersfoort 2008.