I. Algemene begraafplaats aan de Zuidstraat

Aanleg en uitbreiding (1793 - 1952)

Halverwege de achttiende eeuw werd op last van Carolus Boers, de Schout en Baljuw van de beide Catwijcken en 't Sandtaan, een stuk grond aan de zuidoostzijde van het zeedorp in pacht gegeven aan de Kerkelijke gemeente van Katwijk aan Zee. Dit stuk grond werd bestemd voor de aanleg van een begraafplaats. Deze begraafplaats werd in 1793 officieel in gebruik genomen. Daarmee behoorde Katwijk aan Zee tot één van de eerste gemeenten in Nederland, die hun doden niet meer in de kerk lieten begraven, maar volgens de nieuwe regelgeving, op een begraafplaats buiten het dorp. Aan het einde van de achttiende eeuw was er, mede door het gedachtengoed van de Verlichting, bezwaar ontstaan tegen het begraven in kerken. Grootste bezwaar vormde in het bijzonder de hygiëne en in het algemeen de volksgezondheid. Daarom namen de toenmalige kerkrentmeesters van de kerkelijke gemeente Katwijk destijds het besluit om een stuk duingrond te bestemmen voor de aanleg van een begraafplaats. Met die beslissing waren ze hun tijd ver vooruit, aangezien Koning Willem I het verbod op het begraven in kerken pas in 1829 bij Koninklijk Besluit bekrachtigde.

Het zeedorp Katwijk groeide eind achttiende eeuw van 2500 inwoners in 1793 naar 6000 inwoners in 1899. Daardoor werd de noodzaak voor een grotere begraafplaats merkbaar. Er werd om twee redenen gekozen voor een uitbreiding van de bestaande begraafplaats naar de zuidwestzijde van het duingebied. Daarmee werd niet gekozen, zoals oorspronkelijk de bedoeling was, voor een uitbreiding naar de zeezijde. Dat had, in de eerste plaats, te maken met risico's voor de volksgezondheid (denk bijvoorbeeld aan de drinkwatervoorziening uit de duinen). In de tweede plaats wilden de ontwerpers van de begraafplaats graag de symmetrie van het terrein behouden. Er werd gekozen voor een uitbreiding naar de zuidoostzijde. Om deze uitbreiding te realiseren werd om financiële hulp gevraagd bij de burgerlijke gemeente van Katwijk. Voornaamste oorzaak hiervan waren de geringe financiële middelen die beschikbaar waren. De toenmalige kerkrentmeesters moesten met het grootste deel van de inkomsten uit de zitplaatsenverhuur en de opbrengsten uit de verkoop van grafruimtes, voorzien in de traktementen van de twee predikanten. Daardoor was er onvoldoende financiële ruimte om een grotere begraafplaats te realiseren.

De gemeente Katwijk was officieel eigenaar van de grond geworden, nadat Baron van Wassenaer in 1908 officieel afstand had gedaan van de erfpacht. Daarmee mocht verantwoordelijk wethouder Meerburg voortaan optreden als sleutelbewaarder van de Algemene begraafplaats.

In 1917 kreeg de Koninklijke Nederlandse Heidemaatschappij (KNHM) opdracht van de gemeente Katwijk om een herinrichtingsplan te schrijven voor de begraafplaats. Na een gedegen onderzoek constateerden de KNHM dat de lage grondwaterstand zorgde voor zeer droog duinzand. Daardoor moest de beplanting van de begraafplaats regelmatig vervangen worden. De muren van begraafplaats gaven weinig beschutting. De rapporteurs schreven in hun rapport dat de ligging van de begraafplaats ten opzichte van de windrichting erg ongunstig was. Daarom gaven zij het dringende advies aan de Kerkrentmeesters om de begraafplaats (opnieuw) te beplanten met onder meer boksdoorn, vlier, Oostenrijkse den en berberis. De bronnen geven niet aan of dit advies ooit is uitgevoerd.

Uit het huidige archief van de Kerkrentmeesters van de hervormde gemeente Katwijk aan Zee blijkt dat de toenmalige Kerkrentmeesters in maart 1940 (nog) plannen hadden gemaakt voor de bouw van een rouwkapel op de Algemene begraafplaats aan de Zuidstraat. De architect had daarvoor de bestektekeningen al uitgewerkt. Echter, de inval van de Duitse Wehrmacht op 10 mei 1940 maakte realisatie van deze plannen onmogelijk. Na de oorlog werd, mede door de Wederopbouw, gekozen voor de aanleg van een nieuwe begraafplaats in de Zuid. Op deze nieuwe begraafplaats zou, enkele jaren na de ingebruikname, wel een rouwkapel worden gebouwd.  De Algemene begraafplaats aan de Zuidstraat is aangewezen als Rijksmonument.

Welke personen zijn (onder andere)begraven op de Algemene begraafplaats aan de Zuidstraat?

Met dank aan de amateurhistoricus J.P. van Brakel, die een uitgebreide lijst heeft samengesteld van personen die begraven liggen op de Algemene Begraafplaats aan de Zuidstraat, kunnen we een nauwgezette reconstructie maken van het aantal families en individuele personen, die in de afgelopen eeuwen aan de Zuidstraat in een grafkelder werden bijgezet of begraven werden in een particulier graf.

Uit deze  'Lijst van Van Brakel' blijkt dat er op de Algemene Begraafplaats aan de Zuidstraat personen uit alle rangen en standen  werden begraven. Door deze vooruitstrevende wijze van begraven kozen vooral de gegoede burgers uit het 19e eeuwse Leiden, ervoor om begraven te worden in het duinzand van Katwijk aan Zee. In 2014 zijn er op de Algemene Begraafplaats aan de Zuidstraat nog steeds grafstenen te bezichtigen van diverse professoren van de Leidse Universiteit, enkele burgemeesters uit Leiden, dichters/schrijvers uit Leiden, zeekapiteins uit Katwijk, Katwijkse burgers (kerkmeesters) en het familiegraf van de redersfamilie Meerburg. Prominent aanwezig op deze begraafplaats is bijvoorbeeld de grafkelder van Johannes Kneppelhout (1814-1885), beter bekend onder het pseudoniem Klikspaan, die met zijn Studentenschetsen, het dagelijks leven van de Leidse student anno 1830-1840 beschreef.

Door de tand van de tijd zijn helaas ook verschillende grafkelders en stenen vergaan. Voorbeelden hiervan zijn de grafzerken of grafkelders van Daniel Mounier, predikant van de Waalse gemeente in Leiden, Rudolph Wijkerheld Bisdom, een negentiende eeuwse burgemeester van Leiden. Ook de grafstenen van de Leidse professoren Adriaan Kluyt, Jan Karel Krausz en Johannes Henricus van der Palm zijn helaas vergaan door een langdurige proces van verzilting en erosie als gevolg van voortdurende regen en harde westenwind in het kustdorp Katwijk. Uit respect noemen wij hier hun namen. Dat is - op dit moment - de enige manier waarop wij recht kunnen doen aan deze gestorvenen.