De Hervormde Gemeente in de 19e eeuw

Armoede en conflicten aan het begin van de eeuw

De negentiende eeuw zet in met de nog steeds voortdurende Franse overheersing. De revolutie van 1796 had onder andere tot gevolg dat de  kerk  voortaan zelf voor het onderhoud van de gebouwen en het traktement van haar predikanten moest zorgen. Toen in 1801 Napoleon in Parijs aan de macht kwam werd dit weer teruggedraaid, maar al met al stond de zaak er financiël niet rooskleurig voor. Door devoortdurende oorlog met Engeland lag de visserij stil en  het verbond met Frankrijk zorgde voor een tanende handel en explosief stijgende kosten voor het levensonderhoud. De diaconie van ons zeedorp moest  verschillende malen leningen sluiten om haar taak te blijven vervullen. In 1803 besloot de kerkenraad "een gedrukten brief te zenden, aan de meeste hervormde gemeenten in ons land", met verzoek om steun, wegens de hoge nood en grote armoede, in "ons wel eer zoo bloeijend en welvaarend, maar thans, helaas! zoo zeer verarmd en vernederd Catwyck." De oorzaak van de bittere armoede wordt geweten aan het gedwongen "stilleggen van de visserij. (...) De eenige bron van ons bestaan, waar van schier allen leeven moeten." De brief wordt bantwoord met een royale giftenstroom van ruim 15.700 gulden.

De lucht klaart op

Met de terugtrekking van de Franse bezetting en het herstel van de monarchie van Oranje in 1813 komt er een eind aan deze moeilijke periode. Ook kerkelijk klaart de lucht weer op. Ondermeer worden de traktementen van de predikanten veilig gesteld, daar schortte het in de voorbijgegane jaren nog wel eens aan.

De eredienst

De terugkeer van de Oranjes had ingrijpende gevolgen voor de kerk. De éénheid bleek al lange tijd niet sterk te zijn. In feite bestonden er zeven provinciale kerken, die onder even zo vele (provinciale) synoden fungeerden en met elkaar niet veel meer dan een administratieve band hadden. Om hier een eind aan te maken ging de koning nogal autoritair te werk en legde de kerk bij Koninklijk Besluit van 7 januari1816 het "Algemeen Reglement op het Bestuur der Herv. Kerkin het Koninkrijk der Nederlanden" op. Weldra informeert de Classis bij de kerkenraad hoe de invoering ervan verloopt binnen de gemeente en dat geeft ons een beeld van de erediensten in die tijd.

De kerkenraad laat weten dat de Evangelische Gezangen "regelmatig gezongen worden", sóms zelfs  staande. Ook "bij wekelijkse godsdienstoefeningen in het weeshuis zijn de gezangen ingevoerd." De kinderen uit het weeshuis en de bewoners van het Gasthuis hebben "geschikte zitplaatsen in de kerk". Het avondmaal werdt voortaan bediend op de eerste zondag in januari, april en juli, en verder naar oud gebruik op de eerste september-zondag, vóór het uitvaren van de haringschuiten. In gehoorzaamheid aan de nieuwe orde voor de kerk vindt de doop niet langer in de weekbeurten plaats. Er worden van tijd tot tijd "doop predicaties gehouden" (vanaf de veertiger jaren van de 19e eeuw zelfs om de veertien dagen). De koning wordt wat Katwijk betreft op zijn wenken bediend, al moet de kerkenraad wel toegeven dat er een enkele maal nog in de week gedoopt wordt, maar dat is vanwege het grote aantal dopelingen. De broeders haasten zich er bij te voegen, dat "deze heilige plechtigheid nooit door oneerbiedige overhaasting wordt onteerd". En inderdaad, een blik in de doopboeken maakt al snel duidelijk dat de vroegdoop, die op andere plaatsen nog volop functioneerde, in ons zeedorp toen al lang en breed verleden tijd was. Er zat minstens wel een week tussen geboorte en bediening van de doop, meestal aanmerkelijk meer zelfs. Wanneer het Heilig Avondmaal wordt voorbereid, worden de kerkordelijk voorgeschreven vragen de gemeente ná de preek gesteld. Deze worden"door al de leden staande aangehoord en met een buiging beantwoord, waarna de leeraar de zegenwens uitspreekt." Na het voorlezen uit de Bijbel wordt de lezenaar gedraaid, zodat de opengeslagen Bijbel naar de gemeente toe gericht is. Ook wordt gehoor gegeven aan het verzoek van de Synode om "'s Konings verjaardag godsdienstig te vieren." Vanaf 1846 worden de tot dan toe vrije zitplaatsen in de kerk verhuurd.

Ernstige epidemieën

Ook in de 19e eeuw braken nog van tijd tot tijd besmettelijke ziekten uit, die vaak een zware tol eisen. In 1827 heerste de typhus en werden wel bijna 200 gezinnen en personen ondersteund. Voor een deel door de diaconie, die ook dit maal op bijdragen van elders mocht rekenen. Ondanks allerlei maatregelen brak er in 1832 opnieuw een zeer besmettelijke ziekte uit. Dit maal "Aziatische braakloop", een vorm van cholera. Er waren veel zieken en uiteindelijk 120 doden te betreuren. Ook nu werd er van alle zijden fors hulp geboden. In het begin van de zomer van 1849 brak wederom cholera uit. Enkele maanden later waren er ruim 680 lijders geteld, waarvan er 235 overleden.

Katwijk 1836

Lidmaten die afscheiden

Behalve de voortdurende dreiging van ziekten en dood, had de kerk in de dertiger jaren van de negentiende eeuw ook te maken met allerlei woelingen binnen haar veste. In Ulrum had Ds. H. de Cock in 1834 de Hervormde Kerk verlaten. Velen hadden hem gevolgd, anderen zouden dat nog gaan doen. In januari 1836 verzochten zes personen de kerkenraad om hun namen te schrappen in het lidmatenboek. er volgden nog meer van dergelijke verzoeken. Sommigen keerden na korte of langere tijd weer op hun schreden terug. Uiteindelijk stelde de afscheiding toch niet veel voor in ons dorp. In grote meerderheid bleef men trouw aan de kerk der vaderen. Deze groeide hard en gestaag door, ten tijde van ds. Van Harderwijk met wel 2000 zielen tot ruim 3400. Reden voor een aantal ingezetenen de hoofden bijéén te steken en een verzoek aan de kerkenraad te richten om over te gaan tot de oprichting van een tweede predikantsplaats, mede ook om "de toenemende lust en neiging tot het houden der zoogenaamden onderlinge oefeningen, de onmiskenbaren voorbooden der uitbreiding van het seperatismus [afscheiding]." De kerkenraad nam het schrijven serieus en ging aan het werk. Maar toen de minister voor de zaken der Hervormde eredienst afwijzend reageerde ging de zaak voor jaren de kast in.

Een tweede predikant

Veel later, in 1864 kreeg de gemeente haar tweede predikant en  kreeg dominee van Tooren er in dominee  Lucas een collega bij. Helaas bleek al spoedig dat de twee elkaar niet lagen en er wordt geschreven over "vreselijke partijschappen" die ontstonden in de gemeente. Men sprak "van Toorianen en Lucassianen, waarvan de roep in geheel het vaderland doordrong...". De moeilijkheden hadden onder andere te maken met het onderscheid tussen de eerste en de tweede predikantsplaats. Zo wilde de eerste predikant het recht voorbehouden om voorzitter te zijn van de kerkenraad, de tweede zou als scriba fungeren. Als dominee van Tooren in 1867 afscheid neemt vragen de kerkenraad en kerkvoogdij met algemene stemmen het Classicaal bestuur om de Tweede predikantsplaats weer op te heffen. Men wil terug naar één predikant die in zijn arbeid zal worden bijgestaan door een catecheseermeester. Dit verzoek wordt echter niet ingewilligd en de tweede predikantsplaats blijft.

Over de  Zangschool en de eerste orgelklanken

Ten tijde van de ambtsbediening van dominee Van Tooren was er in Katwijk een zangschool. Helemaal nieuw was deze activiteit toen niet, want in de winter van 1847/48 was er door de "Maatschappij tot Nut van 't algemeen", al een initiatief ontplooid tot scholing van de zangvermogens in de beide Katwijken. Van oktober tot april werden kinderen van 8 tot 14 jaar eenmaal per week "des middags in de namiddag (...)  onderleiding van eene bekwamen Zangmeester" de kunst van het zingen bijgebracht.

In de jaren zestig van de negentiende eeuw is het dominee Van Tooren die de kerkenraad verzoekt om van de Zondagsschool een kerkenraadzaak te maken en zich in te spannen voor het verkrijgen van een geschikte lokaliteit. Hetzelfde verzoekt hij voor de zangschool en na enig aandringen ontfermd de kerkenraad zich over de zondagschool en komt er een zangschool. Dat er aan de zang in het zeedorp wel wat te verbeteren viel behoefde geen lange discussie. Volgens Van Tooren bleek dat "elke Zondag uit het gezang in de kerk".

Jaren later, in 1869, wordt er een heus pijporgel in gebruik genomen. Ds. Krull hield een toespraak naar aanleiding van Filippenzen 4:8 "Voorts broeders, al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat lieflijk is, al wat wel luidt, zo er enige deugd is en zo er enige lof is, bedenkt datzelve"

Een nieuwe kerk

BaronesvierkantBaron van Wassenaer van CatwijckNieuwe kerk bouwOp hemelvaartsdag 1885 legde mevrouw J. Baronesse van Wassenear van Catwijk, geboren Hoffman, de eerste steen van de Nieuwe Kerk. De totstandkoming van een nieuw bedehuis voor Hervormd Katwijk was geen overbodige luxe. De gemeente was het oude kerkgebouw letterlijk uitgegroeid. Na het midden van de negentiende eeuw kostte de vraag naar zitplaatsen de kerkvoogden de nodige hoofdbrekens. Uiteindelijk mochten de lidmaten zich uitspreken. Moest de oude kerk vergroot worden of ging men een nieuwe kerk bouwen? Voor het laatste werd gekozen.

Er werd voor het ontwerp van de nieuwe kerk een prijsvraag uitgeschreven. Maar liefst 52 ontwerpen passeerden de jury, die koos voor nummer 41, een inzending van de architect H.J. Jesse uit Leiden. De financiering van de bouw bleek niet eenvoudig, zeker toen de kosten de begrote 75.000 gulden verre te boven gingen. Verschillende malen werd de baron van Wassenaer van Catwijck om raad en steun gevraagd. Met inbegrip van orgel en de grondwas men uiteindelijk 160.676, 96 gulden kwijt.

Ontroerend en indrukwekkend moet het geklonken hebben de gemeente op 12 januari 1887 voor de eerste maal in het nieuwe bedehuis te horen aanheffen Psalm 122: 1 en 3:

"Ik ben  verblijd, wanneer men mij
Godvruchtig opwekt: Zie wij staan
Gereed om naar Gods huis te gaan..."

Lotgevallen van de oude kerk

Een kleine twee jaar na de eerste steenlegging voor de Nieuwe kerk zag "de Oude Andreas" de gemeente voor de laatste maal binnen zijn muren. Nog voor de Nieuwe Kerk in gebruik genomen werd, had de recent in het leven geroepen Vereniging voor Christelijk Onderwijs laten merken belangstelling te hebben voor het oude kerkgebouw. De kerk deed vervolgens een aantal jaren dienst als schoolgebouw. In 1890 werd besloten de kerk te verkopen aan de rederij "Katwijk aan Zee". De kerk zou nog bijna 34 jaar geduld moeten hebben, voordat de zeil- en blokkenmakers beneden op de kerkvloer en de nettenboetstsers op de kerkzolderplaats maakten voor kerkgangers.

Doleantie

De Nieuwe Kerk kwam gereed in een rumoerige episode van de vaderlandse geschiedenis. Het waren de dagen waarin een nieuwe afscheiding van de Hervormde kerk grote beroering teweegbracht onder ons Nederlandse volk. Omder de naam "Doleantie" staat dit hoofdstuk in de kerkgeschiedenis genoteerd.In Katwijkse Hervormde Gemeente heeft de Doleantie echter nauwelijks iets voorgesteld. Hervormden en gereformeerden leefden gescheiden samen binnen de beslotenheid van het oude dorp. Soms waren er wel ontmoetingen, maar het zou nog tot na de eeuwwisseling duren voordat men elkaar vond in de Strandevangelisatie.