De Hervormde Gemeente in de 17e eeuw

De eerste eigen predikant

In 1599 wordt de Hervormde Gemeente van Katwijk aan Zee echt zelfstandig met de komst van haar eerste eigen predikant, dominee Josias Heinsius. In februari 1599 bracht de gemeente  een beroep uit op deze Leidse student, en drie maanden later op 2 mei 1599, werd hij door Carolus agricola van Rijnsburg in het ambt bevestigd. Heinsius zou zeven jaren in Katwijk blijven. In die tijd verwief hij een zekere bekendheid als prediker, want in 1606 werd hij beroepen naar Delft. Zo'n beroep was in die tijd praktisch onontwijkbaar. Als een dorpspredikant door een stad begeerd werd, sprak het vanzelf dat hij aan de roep gehoor gaf. De kerkenraad zag dan ook af van iedere poging hem terug te houden.

Leidse studenten

Katwijk moest op zoek naar een opvolger, en koos opnieuw uit de Leidse studenten. De hele zeventiende eeuw door bleef Katwijk een gemeente die enkel proponenten beriep. Achtereenvolgens waren dit Samuël Baselius (1606-1620), Adrianus à Bilderbeeck (1621-1624), Nathanaël van Middelhoven (1624-1634), Johannes Heynsius Josiaszn (1634-1637), Petrus Vliedthoorn (1637-1671), Conradus Ruijsch (1671-1697), Johannus van der Heijden (1697-1703), Quirinius Leffen (1704-1713), Isaäcus Wurtz (1713-1720) en Balduines ter Braak (1720-1732). Pas in 1732 was Dyonisius du Toict de eerste nieuwe predikant die al in een andere gemeente had dienst gedaan.

De grootte van de zeventiende eeuwse gemeente

Het feit dat er alleen studenten werden beroepen in de zeventiende eeuw kan het vermoeden wekken dat de gemeente niet al te groot  was in die tijd. Op een lidmatenlijst uit 1621 staan 96 beleidende leden vermeld. Als we daar de kinderen bij rekenen, komen we op een gemeente van tussen de 200 en de 250 personen. Als we dit vergelijken met de 1344 zielen die Katwijk aan Zee volgens de volkstelling in 1622 heeft gehad blijkt dat maar 15 tot 20 procent van de bevolking tot de gemeenschap van de kerk behoorde. Kerk en bevolking vielen dus lang niet samen.

Liefhebbers

Een kanttekening die hierbij moet worden gemaakt is dat het aantal kerkgangers omstreeks 1600 vaak veel groter was dan het aantal kerkleden. Er bestond ook een naam voor die groep kerkbezoekers: men sprak van 'liefhebbers' van de gereformeerde religie. Een liefhebber was iemand die met grote regelmaat vrijwillig de diensten bezocht maar niet toe trad tot de kerkgemeenschap. Tussen liefhebbers en lidmaten bestond één belangrijk onderscheid: de lidmaten hadden toegang tot de avondmaalstafel, de liefhebbers niet.

Avondmaalsgemeenschap

De zeventiende eeuwse gemeente was in de eerste plaats dus een avondmaalsgemeenschap. De avondmaalsvieringen zijn de hoogtepunten in het kerkelijke leven. Vaak worden ze verbonden met de grote kerkelijke feesten. Zo deed men dit ook in Katwijk. Aanvankelijk vierde men drie keer per jaar avondmaal, met pasen, pinksteren en kerstmis. Tussen pinksteren en kerstmis viel dus een lange pauze, en dat had alles te maken met de manier waarop de Katwijkers hun brood verdienden. Na pinksteren vond er een ware uittocht plaats, als de haringbuizen zee kozen, en de Hollandse vissersdorpen maandenlang alleen door vrouwen en kinderen bewoond schenen. De afwezigheid van al die mannen werd als beletsel beschouwd om  ook in de zomer avondmaal te vieren.

Maar in 1622 vond de kerkenraad toch dat de thuisblijvers op die manier te kort kwamen. De kerkenraad overwoog "overmits den tijt tusschen pingsteren ende kersmis gheheel lanck is, ende dan door het afwesen der manspersoonen ofte het meestendeel van dien, niet en behoort den vrouwen soo langhe die hemelsche spijse ende vertroosting der sielen onthouden te werden". Daarom werd een extra avondmaalsviering aangekondigd voor de laatste zondag in september, wat wel aangeeft dat de kerkenraad de betekenis van het avondmaal heel hoog aansloeg.