Weekmeditatie 41 en 42

Week 41

Een taal die ik niet verstond

’Daar, zei Israël, heb ik een taal gehoord, die ik niet verstond’ (Psalm 81 : 6c). 

Dezer dagen overkomt het ons weer. Op haar nieuwe school heeft onze oudste ook Spaans in het pakket. Het meisje heeft er aardigheid in en van tijd tot tijd laat ze wat Spaanse zinnetjes op ons los. Nu hebben de Zuid-Europese talen wel wat met elkaar gemeen en krijg je bij sommige klanken wel ergens een idee van wat het zou kunnen betekenen. Toch vissen wij geregeld achter het net, en laten we ons dan graag door het meisje informeren. Een vreemde taal begrijp je niet één twee drie.

En zo is het ook met de taal van het wonder. In Psalm 81 blikt de dichter terug op de tijd van de uittocht. In het land Egypte hoorde het volk ’een taal die het niet verstond’. In eerste instantie ben je geneigd bij die taal te denken aan het Egyptisch. In de tijd van Jozef maar ook al in de eeuwen daarvoor hebben de Egyptenaren zo hun geheel eigen talen gesproken, die in niets met de talen van de omringende landen waren te vergelijken. Zeker aanvankelijk zullen Jozefs broers en hun kinderen moeite hebben gehad om wat in die taal allemaal werd gezegd, te begrijpen. Bovendien zal de taal hen wellicht ook later, toen ze er de finesses wel van leerden kennen, niettemin toch vreemd zijn gebleven. De taal van farao en zijn kornuiten, de woedende schreeuw van de sterke die zijn recht wil laten gelden over het zwakke, het was een taal die iedere van hart veranderde Israëliet ten diepste niet kon en wilde verstaan! ’Daar, zei Israël, heb ik een taal gehoord, die ik niet verstond.’ Die niet de mijne was, en die ook nooit de mijne mocht worden.

Toch is het de vraag of de dichter van onze psalm bij ’de taal’ die Israël ’niet verstond’, heeft gedacht aan het Egyptisch. Het lijkt hem eerder te gaan om de taal van het wonder! Direct aan ons tekstvers vooraf vertelt hij hoe de Heere was ’opgetrokken tegen’ het land Egypte. Direct erná hoe Hij de last van Israëls schouder heeft weggenomen en het volk uit de slavenarbeid bevrijd! Het is vooral het spectaculaire, ingrijpende gebeuren van Israëls bevrijding dat als een wonderlijke taal was, die Israëls God van zich deed horen! Er gebeurden dingen waarvan tot dan toe niemand in de bewoonde wereld ooit had vernomen. Dingen zo verrassend, zo geweldig en zo ánders dat ze ook voor Israël zelf totaal nieuw waren! ’Daar, zei Israël, heb ik een taal gehoord, die ik niet verstond.’ Tja, als de Heere, de God van Israël eenmaal gaat spreken en handelen, dan gebeuren er dingen waarvan je oren tuiten, als ze het horen. Het is om zo te zeggen ’ongehoord’! Maar dan ook ongehoord goed, en daarom heerlijk!

Geachte lezer, spreekt u ook al de taal van het wonder? Hoe kan het ook ons overkomen, dat het ons op Gods moment wordt gegeven. De Heere is een wonderlijk God. Ook na de uittocht en de doortocht en de intocht is Hij verrassend voortgegaan, met zijn wonderlijke, ongehoorde handelen. Het hoogtepunt van wat Hij deed, ligt wel in wat niemand ooit had kunnen bedenken, in de Heere Jezus Christus. Een wonderlijke verlossing bracht God tot stand toen Hij Zijn Zoon aan het kruis bracht. En een wonderlijke bevrijding heeft God voorzien, toen Hij Zijn Zoon uit het graf riep. In Hem is God zo wonderlijk bijzonder aan het werk, alles wat tot onze zaligheid dient, brengt God in Hem in deze wereld binnen. En nu? Nu laat God overal ter wereld die wonderlijke taal klinken. De taal van het evangelie dat zo vol is van Hem. En het is een taal die geen mens in deze wereld vanuit zichzelf verstaat. Maar God laat die taal spreken, soms hoog en poëtisch, veel vaker in alle gebrek en hapering. Een stamelend getuigenis, een vinger die wijst, richting Jezus. Maar op de achtergrond en op de voorgrond en vanaf de ondergrond is het God Zelf Die spreekt. En zo, al sprekend, al fluisterend en al roepend gééft God het ook aan mensen dat zij dat spreken horen, en dat zij het al horend ontvangen, en geloven en beamen. En dan zien zij de Heere Jezus. En dan ziet de Heere Jezus hen. En dan maakt Hij ze vrij. En dan mogen zij achteraf zeggen: ’daar heb ik een taal gehoord, die ik niet verstond’! De helft was mij niet aangezegd. Hij is een Heere, zo groot, Redder tot in de dood, Jezus mijn Heere!

De taal van het wonder. Spreekt u, spreek jij hem al mee? God wil het je leren. Begin maar met de A van Aanbidding. Aanbid de Heere Jezus. Wie in Hem gelooft, die zal behouden worden!

✍ Ds. M. Kreuk (uit: ’Kerkneis’ van de hervormde gemeenten Noordhorn en Saaksum, 37ste jaargang nr. 11, november 2015)

Ingezonden door ds. D. Jongeneel  

 Week 42

 Smaakmakend of smakeloos?

’U bent het zout van de aarde…’ (Mattheüs 5 : 13)

Een belofte en een opdracht
Woorden van Jezus. Gericht tot allen die Hem willen volgen. Een belofte! En een opdracht! Weet je wat Luther deed als hij een kind doopte? Water op het voorhoofd. Vanzelf. En een paar korreltjes zout op de tong. Dat ook. Een verwijzing naar deze woorden van Jezus. Proef de belofte! Je mag tijdens je leven het zout van de aarde zijn. Proef de opdracht! Je hoort tijdens je leven het zout van de aarde te zijn.

De indringende vraag!
Zijn wij als gemeente smaakmakend of smakeloos?! Wat schotelen wij buitenstaanders voor? De goed gezouten blijde boodschap? Jezus is dé Redder van de wereld! De pittige boodschap van hoop?! Dankzij Jezus: eeuwig leven! Of een slappe hap? Zouteloze kost? Ik geloof wel dat er iets is. Ik bid wel eens. Zijn wij als ouders smaakmakend of smakeloos? Wat bieden wij onze kinderen aan? Proeven ze iets van ons geloof? Of dissen we ze alleen maar een pakketje goede gewoontes op?! In het dagelijkse leven zetten we onze kinderen toch ook geen smakeloze hap voor? Daar gruwen ze van. Met een smakeloos geloof gaat dat niet anders. Dan zeggen ze later: het was niet te pruimen!

Bescheiden
Je kan verschillende dingen van zout zeggen. Allereerst: je hoeft bepaald geen miljonair te zijn om een kilo te kunnen bemachtigen. Je kan zo een hele voorraad aanleggen. ’t Is voor een paar centen te koop. Met dat beeld worden wij dus gelijk op onze plaats gezet. Het geeft geen reden om je op de borst te slaan. Geen reden tot hoogmoed! Dat beeld maakt ons bescheiden. Ootmoedig. Klein!

Niet in de zoutpot blijven
Vervolgens: waar is het zout voor bedoeld? Om in het zoutvaatje te blijven zitten?! Om die zoutpot voor de sier in de keuken te zetten? Zeg nou zelf: Zout dat altijd in een zoutpotje blijft zitten is nutteloos! Dan klontert het samen. Als christen-zijn voor ons alleen maar betekent een keertje naar de kerk gaan (de zoutpot!), als christenzijn voor ons alleen maar betekent andere gelovigen ontmoeten (knus tegen andere zoutkorrels aankruipen!), dan missen wij ons doel!

Smaakmakend
Het zout maakt een eitje of de soep pittiger. Met andere woorden: volgelingen van Jezus leven niet voor zichzelf. Zij zijn er voor de ander. Voor de omgeving. Let wel: een klein beetje zout is al voldoende! Misschien ben jij de enige in de klas die gelooft. De enige in de kantine die bidt. De enige in de vriendenkring die in de Bijbel leest! Wees er van overtuigd: je kan in je uppie al een smaakmaker zijn! Dat is bemoedigend! Christenen zijn in Nederland een minderheid geworden. Steeds minder mensen gaan naar de kerk, lezen in de Bijbel, vouwen hun handen. Daarom hoeven we de toekomst van het christendom nog niet somber in te zien! Ook een minderheid kan veel betekenen. Als die minderheid maar echt smaakmakend is!

Aan bederf onderhevig
U bent het zout van de aarde. Jezus zegt daarmee ook, indirect, iets over deze aarde. Jezus zegt indirect: deze aarde is aan bederf onderhevig. Weet je waar deze aarde naar smaakt? Ik geef even het woord aan Paulus. Romeinen 1. Deze aarde smaakt naar jaloezie. Naar hebzucht. Naar roddel. Naar list. Naar haat. Naar ruzie. Naar bedrog. Naar ontrouw. Naar ongevoeligheid. Naar onverzoenlijkheid. Naar onbarmhartigheid. Naar… Inderdaad, een heel menu. Zeg nou zelf, dát smaakt toch niet naar meer!

Bederfwerend
Is daar wat aan te doen? Nou en of! Ú bent het zout van de aarde! Jezus zegt dus niet: jullie zijn het azijn van deze aarde! Christenen zijn geen zure mensen. Onaangenaam. Stuurs. Jezus zegt ook niet: jullie zijn het suikerklontje van deze aarde! Christenen zijn ook geen honingzoete mensen. Strooplikkers. Mooipraters. Zout! Dat kan bijten. Je moet maar eens zout in een wond wrijven! Dat doet pijn! Maar ’t is daarom soms wel nodig! Want zout in de wond zuivert, maakt schoon! Zo zijn gelovigen soms het zout in de wond van deze wereld. Om het verderfelijke bacterie van het eigenbelang te bestrijden met het zout van Jezus’ menslievendheid. Van Jezus’ bewogenheid. Zoals door het zout het voedsel langer houdbaar blijft, zo moet u/jij gericht zijn op het behoud van een ander. Als die ander zonder God leeft, dan hebben ze maar een beperkte houdbaarheidsdatum!

U bent het!
Jezus zegt niet: doe je best om dat te zijn. Of: wie weet, zal je het een keertje worden. Of: Ik zou het fijn vinden als jullie dat waren. Jezus zegt: U/jij bent het! Dat is jullie identiteit. Slaat Jezus ons niet te hoog aan? Is Hij niet bezig ons christen - zijn te overschatten? Luister goed! Het is een opdracht. Zeker! Maar, het is allereerst een belofte. Jezus zegt dat Zijn volgelingen het zijn! Jezus wil Zijn volgelingen blijkbaar zó gebruiken!

Natriumchloride
Misschien dat iemand zegt: ik zou best graag zout willen zijn, maar hoe word ik dat?! Want, om het maar ouderwets te zeggen: van nature ben je dat toch niet?! Dan denk ik aan de lessen scheikunde. Natriumchloride. Dat is de scheikundige formule voor zout. Zout bestaat uit natrium en chloor. Natrium is een mineraal. Chloor is een gevaarlijk vergif. Maar als die twee zich met elkaar verbinden, dan ontstaat zout. Die formule kan helpen bij de roeping om zout te zijn. Van nature zijn wij niet zo best. Niet beter dan een ander. Soms letterlijk of figuurlijk giftig. Maar als je door het geloof verbonden wordt met Jezus, dan word je anders! Dan word je een gelovige. Een christen. ’Zout’! En nogmaals… Een snufje is al voldoende. Een korreltje doet al wonderen…

✍ F. Wijnhorst, v.d.m.